Vervoeging van het Duitse werkwoord verlernen ⟨Bijzin⟩

De vervoeging van het werkwoord verlernen (afleren, vergeten) is regelmatig. De basisvormen zijn ... verlernt, ... verlernte en ... verlernt hat. Het hulpwerkwoord van verlernen is "haben". Het voorvoegsel ver- van verlernen is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Bijzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord verlernen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor verlernen. Je kunt niet alleen verlernen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C1. Opmerkingen

C1 · regelmatig · haben · onlosmakelijk

verlernen

... verlernt · ... verlernte · ... verlernt hat

Engels forget, unlearn, forget skills

/fɛɐ̯ˈlɛʁnən/ · /fɛɐ̯ˈlɛʁnt/ · /fɛɐ̯ˈlɛʁn.tə/ · /fɛɐ̯ˈlɛʁnt/

bereits erworbenes Wissen oder Können durch zu seltene Anwendung vergessen; etwas nicht mehr tun; vergessen

acc.

» Radfahren verlernt man nie. Engels You never forget how to ride a bike.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van verlernen

Tegenwoordige tijd

... ich verlern(e)⁵
... du verlernst
... er verlernt
... wir verlernen
... ihr verlernt
... sie verlernen

Onvoltooid verleden tijd

... ich verlernte
... du verlerntest
... er verlernte
... wir verlernten
... ihr verlerntet
... sie verlernten

Imperatief

-
verlern(e)⁵ (du)
-
verlernen wir
verlernt (ihr)
verlernen Sie

Konjunktief I

... ich verlerne
... du verlernest
... er verlerne
... wir verlernen
... ihr verlernet
... sie verlernen

Konjunktief II

... ich verlernte
... du verlerntest
... er verlernte
... wir verlernten
... ihr verlerntet
... sie verlernten

Infinitief

verlernen
zu verlernen

Deelwoord

verlernend
verlernt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord verlernen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

... ich verlern(e)⁵
... du verlernst
... er verlernt
... wir verlernen
... ihr verlernt
... sie verlernen

Onvoltooid verleden tijd

... ich verlernte
... du verlerntest
... er verlernte
... wir verlernten
... ihr verlerntet
... sie verlernten

Perfectum

... ich verlernt habe
... du verlernt hast
... er verlernt hat
... wir verlernt haben
... ihr verlernt habt
... sie verlernt haben

Volt. verl. tijd

... ich verlernt hatte
... du verlernt hattest
... er verlernt hatte
... wir verlernt hatten
... ihr verlernt hattet
... sie verlernt hatten

Toekomende tijd I

... ich verlernen werde
... du verlernen wirst
... er verlernen wird
... wir verlernen werden
... ihr verlernen werdet
... sie verlernen werden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

... ich verlernt haben werde
... du verlernt haben wirst
... er verlernt haben wird
... wir verlernt haben werden
... ihr verlernt haben werdet
... sie verlernt haben werden

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Radfahren verlernt man nie. 
  • Es vergingen zwanzig Jahre und ich verlernte die deutsche Sprache. 
  • Wenn du einmal Fahrrad fahren kannst, so verlernst du es nicht mehr. 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord verlernen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

... ich verlerne
... du verlernest
... er verlerne
... wir verlernen
... ihr verlernet
... sie verlernen

Konjunktief II

... ich verlernte
... du verlerntest
... er verlernte
... wir verlernten
... ihr verlerntet
... sie verlernten

Voltooid Konj.

... ich verlernt habe
... du verlernt habest
... er verlernt habe
... wir verlernt haben
... ihr verlernt habet
... sie verlernt haben

Konj. volt. verl. t.

... ich verlernt hätte
... du verlernt hättest
... er verlernt hätte
... wir verlernt hätten
... ihr verlernt hättet
... sie verlernt hätten

Toekomende aanvoegende wijs I

... ich verlernen werde
... du verlernen werdest
... er verlernen werde
... wir verlernen werden
... ihr verlernen werdet
... sie verlernen werden

Toek. volt. aanw.

... ich verlernt haben werde
... du verlernt haben werdest
... er verlernt haben werde
... wir verlernt haben werden
... ihr verlernt haben werdet
... sie verlernt haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

... ich verlernen würde
... du verlernen würdest
... er verlernen würde
... wir verlernen würden
... ihr verlernen würdet
... sie verlernen würden

Verleden cond.

... ich verlernt haben würde
... du verlernt haben würdest
... er verlernt haben würde
... wir verlernt haben würden
... ihr verlernt haben würdet
... sie verlernt haben würden

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord verlernen


Tegenwoordige tijd

verlern(e)⁵ (du)
verlernen wir
verlernt (ihr)
verlernen Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor verlernen


Infinitief I


verlernen
zu verlernen

Infinitief II


verlernt haben
verlernt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


verlernend

Participle II


verlernt

  • Kann man seine Muttersprache verlernen ? 
  • Es vergingen zwanzig Jahre und ich verlernte die deutsche Sprache. 
  • Wenn du einmal Fahrrad fahren kannst, so verlernst du es nicht mehr. 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor verlernen


  • Radfahren verlernt man nie. 
    Engels You never forget how to ride a bike.
  • Kann man seine Muttersprache verlernen ? 
    Engels Can you forget your native language?
  • Es vergingen zwanzig Jahre und ich verlernte die deutsche Sprache. 
    Engels Twenty years passed and I forgot the German language.
  • Wenn du einmal Fahrrad fahren kannst, so verlernst du es nicht mehr. 
    Engels Once you can ride a bike, you never forget it.
  • Fahrradfahren verlernt man nie. 
    Engels You never forget how to ride a bike.
  • Wer viel lächelt, verlernt das Lachen. 
    Engels Whoever smiles a lot forgets how to laugh.
  • Nach den vielen Schicksalsschlägen hat Maria das Lachen verlernt . 
    Engels After many blows of fate, Maria has forgotten how to laugh.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse verlernen


Duits verlernen
Engels forget, unlearn, forget skills
Russisch разучиться, забыть, забывать
Spaans desaprender, olvidar, perder la práctica
Frans oublier, désapprendre, délaisser, ne plus faire
Turks unutmak, bırakmak, kaybetmek
Portugees desaprender, esquecer
Italiaans dimenticare, disimparare, disapprendere
Roemeens uita, uitare
Hongaars elfelejt, elfelejteni
Pools zapomnieć, nie umieć, zapominać
Grieks ξεχνώ, ξεμαθαίνω
Nederlands afleren, vergeten, verleren
Tsjechisch zapomenout, neumět, odnaučovat se, odnaučovatčit se, zapomínat, zapomínatmenout, ztratit dovednost
Zweeds avlära, glömma, glömma bort
Deens glemme, aflære
Japans 忘れる, 失う, 習得しない
Catalaans oblidar, desaprendre, desapréndre
Fins unohtaa, menettää taito, unohtaminen
Noors glemme, avlære, miste ferdigheter
Baskisch ahaztu
Servisch zaboraviti, izgubiti, ne znati više
Macedonisch заборавам, не учам
Sloveens pozabiti
Slowaaks zabudnúť
Bosnisch zaboraviti, izgubiti, ne znati više
Kroatisch zaboraviti, izgubiti, ne znati više
Oekraïens забути, втратити навички, втратити навичку
Bulgaars забравям, забравяне, изгубване на умение, не правя повече
Wit-Russisch забыць, разучыцца
Indonesisch keterampilan yang dipelajari lupa, lupa, lupa cara melakukannya
Vietnamees quên, quên cách làm, quên kỹ năng đã học
Oezbeeks biror ishni qanday qilishni unutmoq, o'rganilgan bilimlarni unutmoq, unutmoq
Hindi कैसे करना है भूल जाना, भूल जाना, सीखा हुआ कौशल भूल जाना
Chinees 不常用而忘记所学, 忘记, 忘记怎么做
Thais ลืม, ลืมความรู้ที่เคยเรียน, ลืมวิธีทำ
Koreaans 배운 것을 잊다, 배운 기술을 잊다, 잊다
Azerbeidzjaans necəsini etmək unutmaq, unutmaq, öyrənilən bacarıqları unudmaq
Georgisch ავიწყდება, როგორ გავაკეთო დავიწყება, სწავლებული უნარები ავიწყდებიან
Bengaals কাজ করতে ভুলে যাওয়া, ভুলে যাওয়া, শেখা জ্ঞান ভুলে যাওয়া
Albanees aftësinë e mësuar harroj, harroj, harroj si ta bësh
Marathi काही करायला विसरणे, विसरणे, शिकलेलं कौशल्य विसरणे
Nepalees कसरी गर्ने बिर्सनु, भुल्नु, शिखेको ज्ञान भुल्नु
Telugu ఎలా చేయాలో మర్చిపోవడం, జ్ఞానం మరిచిపోవడం, మరిచిపోవడం
Lets aizmirst, apgūto prasmi aizmirst
Tamil எப்படிச் செய்யுவது மறந்துவிடுவது, கற்றதை மறக்குதல்
Ests unustama, õpitud oskuse unustama
Armeens մոռանալ, մոռանալ ինչպես անել, ուսումնասիրած գիտելիքներ մոռանալ
Koerdisch bîr kirin, tiştê çêkirinê çawa bîr kirin, winda kirin
Hebreeuwsשכוח، שכחה
Arabischنسيان، عدم ممارسة، نسي
Perzischفراموش کردن، از یاد بردن
Urduبھول جانا، چھوڑ دینا، کمی

verlernen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van verlernen

  • bereits erworbenes Wissen oder Können durch zu seltene Anwendung vergessen, vergessen
  • etwas nicht mehr tun
  • wieder vergessen

verlernen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord verlernen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord verlernen


De vervoeging van het werkwoord verlernen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord verlernen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (... verlernt - ... verlernte - ... verlernt hat) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary verlernen en op verlernen in de Duden.

verlernen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ... verlern(e)... verlernte... verlerne... verlernte-
du ... verlernst... verlerntest... verlernest... verlerntestverlern(e)
er ... verlernt... verlernte... verlerne... verlernte-
wir ... verlernen... verlernten... verlernen... verlerntenverlernen
ihr ... verlernt... verlerntet... verlernet... verlerntetverlernt
sie ... verlernen... verlernten... verlernen... verlerntenverlernen

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich verlern(e), ... du verlernst, ... er verlernt, ... wir verlernen, ... ihr verlernt, ... sie verlernen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich verlernte, ... du verlerntest, ... er verlernte, ... wir verlernten, ... ihr verlerntet, ... sie verlernten
  • Perfectum: ... ich verlernt habe, ... du verlernt hast, ... er verlernt hat, ... wir verlernt haben, ... ihr verlernt habt, ... sie verlernt haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich verlernt hatte, ... du verlernt hattest, ... er verlernt hatte, ... wir verlernt hatten, ... ihr verlernt hattet, ... sie verlernt hatten
  • Toekomende tijd I: ... ich verlernen werde, ... du verlernen wirst, ... er verlernen wird, ... wir verlernen werden, ... ihr verlernen werdet, ... sie verlernen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich verlernt haben werde, ... du verlernt haben wirst, ... er verlernt haben wird, ... wir verlernt haben werden, ... ihr verlernt haben werdet, ... sie verlernt haben werden

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich verlerne, ... du verlernest, ... er verlerne, ... wir verlernen, ... ihr verlernet, ... sie verlernen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich verlernte, ... du verlerntest, ... er verlernte, ... wir verlernten, ... ihr verlerntet, ... sie verlernten
  • Perfectum: ... ich verlernt habe, ... du verlernt habest, ... er verlernt habe, ... wir verlernt haben, ... ihr verlernt habet, ... sie verlernt haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich verlernt hätte, ... du verlernt hättest, ... er verlernt hätte, ... wir verlernt hätten, ... ihr verlernt hättet, ... sie verlernt hätten
  • Toekomende tijd I: ... ich verlernen werde, ... du verlernen werdest, ... er verlernen werde, ... wir verlernen werden, ... ihr verlernen werdet, ... sie verlernen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich verlernt haben werde, ... du verlernt haben werdest, ... er verlernt haben werde, ... wir verlernt haben werden, ... ihr verlernt haben werdet, ... sie verlernt haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich verlernen würde, ... du verlernen würdest, ... er verlernen würde, ... wir verlernen würden, ... ihr verlernen würdet, ... sie verlernen würden
  • Voltooid verleden tijd: ... ich verlernt haben würde, ... du verlernt haben würdest, ... er verlernt haben würde, ... wir verlernt haben würden, ... ihr verlernt haben würdet, ... sie verlernt haben würden

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: verlern(e) (du), verlernen wir, verlernt (ihr), verlernen Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: verlernen, zu verlernen
  • Infinitief II: verlernt haben, verlernt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: verlernend
  • Participle II: verlernt

Opmerkingen



Inloggen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 30263, 30263

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 8084944, 2705464, 5897019, 2226481, 8084943, 11043461

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 30263