Vervoeging van het Duitse werkwoord poltern

De vervoeging van het werkwoord poltern (feestavond, lawaai maken) is regelmatig. De basisvormen zijn poltert, polterte en hat gepoltert. Het hulpwerkwoord van poltern is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord poltern beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor poltern. Je kunt niet alleen poltern vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

haben
poltern
sein
poltern

C2 · regelmatig · haben

poltern

poltert · polterte · hat gepoltert

 Geen informele e-wegval mogelijk 

Engels bang, rant, rumble, bachelor party, bicker, bluster, crash, jangle, make a racket, pre-wedding party, rattle, thump

/ˈpɔl.tən/ · /ˈpɔl.tɐt/ · /ˈpɔl.tɐ.tə/ · /ɡəˈpɔl.tɐt/

durch Rumpeln oder durch Stoßen gegen etwas zu lärmen (lauter als klappern, leiser als donnern); grob schimpfen; rumpeln, schelten, schimpfen, tadeln

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van poltern

Tegenwoordige tijd

ich polt(e)⁴r(e)⁵
du polterst
er poltert
wir poltern
ihr poltert
sie poltern

Onvoltooid verleden tijd

ich polterte
du poltertest
er polterte
wir polterten
ihr poltertet
sie polterten

Imperatief

-
polt(e)⁴r(e)⁵ (du)
-
poltern wir
poltert (ihr)
poltern Sie

Konjunktief I

ich polt(e)⁴re
du polterst
er polt(e)⁴re
wir poltern
ihr poltert
sie poltern

Konjunktief II

ich polterte
du poltertest
er polterte
wir polterten
ihr poltertet
sie polterten

Infinitief

poltern
zu poltern

Deelwoord

polternd
gepoltert

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord poltern vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich polt(e)⁴r(e)⁵
du polterst
er poltert
wir poltern
ihr poltert
sie poltern

Onvoltooid verleden tijd

ich polterte
du poltertest
er polterte
wir polterten
ihr poltertet
sie polterten

Perfectum

ich habe gepoltert
du hast gepoltert
er hat gepoltert
wir haben gepoltert
ihr habt gepoltert
sie haben gepoltert

Volt. verl. tijd

ich hatte gepoltert
du hattest gepoltert
er hatte gepoltert
wir hatten gepoltert
ihr hattet gepoltert
sie hatten gepoltert

Toekomende tijd I

ich werde poltern
du wirst poltern
er wird poltern
wir werden poltern
ihr werdet poltern
sie werden poltern

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde gepoltert haben
du wirst gepoltert haben
er wird gepoltert haben
wir werden gepoltert haben
ihr werdet gepoltert haben
sie werden gepoltert haben

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord poltern in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich polt(e)⁴re
du polterst
er polt(e)⁴re
wir poltern
ihr poltert
sie poltern

Konjunktief II

ich polterte
du poltertest
er polterte
wir polterten
ihr poltertet
sie polterten

Voltooid Konj.

ich habe gepoltert
du habest gepoltert
er habe gepoltert
wir haben gepoltert
ihr habet gepoltert
sie haben gepoltert

Konj. volt. verl. t.

ich hätte gepoltert
du hättest gepoltert
er hätte gepoltert
wir hätten gepoltert
ihr hättet gepoltert
sie hätten gepoltert

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde poltern
du werdest poltern
er werde poltern
wir werden poltern
ihr werdet poltern
sie werden poltern

Toek. volt. aanw.

ich werde gepoltert haben
du werdest gepoltert haben
er werde gepoltert haben
wir werden gepoltert haben
ihr werdet gepoltert haben
sie werden gepoltert haben

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde poltern
du würdest poltern
er würde poltern
wir würden poltern
ihr würdet poltern
sie würden poltern

Verleden cond.

ich würde gepoltert haben
du würdest gepoltert haben
er würde gepoltert haben
wir würden gepoltert haben
ihr würdet gepoltert haben
sie würden gepoltert haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord poltern


Tegenwoordige tijd

polt(e)⁴r(e)⁵ (du)
poltern wir
poltert (ihr)
poltern Sie

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor poltern


Infinitief I


poltern
zu poltern

Infinitief II


gepoltert haben
gepoltert zu haben

Tegenwoordig deelwoord


polternd

Participle II


gepoltert

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse poltern


Duits poltern
Engels bang, rant, rumble, bachelor party, bicker, bluster, crash, jangle
Russisch громыхать, грохотать, браниться, греметь, громыхнуть, падать с грохотом, падать с шумом, передвигаться с шумом
Spaans ruido, desorden, estruendo, gritar, hacer ruido, vociferar
Frans bruit, bruiter, faire du bruit, faire du tapage, faire du vacarme, fracas, fête de polterabend, gronder
Turks ağır sözler söylemek, düğün öncesi kutlama, gürültü, gürültü yapmak, kaba konuşmak
Portugees estrondar, fazer barulho, festa de despedida de solteiro, gritar, trombar, xingar
Italiaans rumoreggiare, baccano, battere, brontolare, far fracasso, fare chiasso, mormorare, rumore
Roemeens blama, petrecere de burlaci, zgomot, înjura
Hongaars dörömböl, dörömbölni, lármázni, ordítani, zajongani, zörögni, zúgni
Pools hałasować, krzyczeć, nahałasować, pomstować, tłuc, wrzawa, wrzeszczeć
Grieks βρίζω, θόρυβος, κατηγορώ, κρότος, πολτεράμπεντ
Nederlands feestavond, lawaai maken, rumoeren, schelden, schreeuwen
Tsjechisch hlukot, hlučný večer, křičet, nadávat, ráz
Zweeds braka, bullra, domdera, dundra, möhippa, skälla, svensexa
Deens brage, polterabend, rumle, råbe, skælde ud
Japans ゴロゴロする, 悪口を言う, 罵る, 騒ぐ, 騒音を立てる
Catalaans celebrar polterabend, cridar, renquejar, renyar, rumorejar
Fins kiroilla, kolina, kova ääni, melskaaminen, meluaminen, puhua rumasti
Noors bjeffe, bryllupsfest, bråke, kaste skitt, rumle
Baskisch barkamenik, bultzada, iraindu, polterabend
Servisch bumanje, bučiti, grditi, kukati, lupanje, udarati
Macedonisch бучен, громогласен, грубо навредување, празнување
Sloveens grdo preklinjati, praznovanje, ropotanje, trkanje
Slowaaks hrmot, nadávať, rozlúčka so slobodou
Bosnisch udarati, bubnjati, bučati, grubo psovati
Kroatisch bubnjati, bubnjeti, buka, bučati, grditi, udarati
Oekraïens греміти, грубо лаяти, гупати, гучне святкування
Bulgaars громолене, грубо ругая, трескане
Wit-Russisch громыхаць, груба лаяць, гучна святкаваць, гучна стукаць
Indonesisch berdebum, berdentam, memaki, mengadakan Polterabend, menghardik, merayakan Polterabend
Vietnamees chửi bới, kêu rầm rầm, mắng nhiếc, tổ chức Polterabend, ăn mừng Polterabend
Oezbeeks Polterabend o'tkazmoq, Polterabend qilish, dashnom bermoq, dupurlamoq, gursillamoq, tanbeh bermoq
Hindi झिड़कना, डाँटना, धड़धड़ाना, धड़ाम-धड़ाम करना, पोल्टरअबेंड मनाना
Chinees 呵斥, 咚咚作响, 哐当作响, 痛骂
Thais ดังครืน, ดังโครมคราม, ด่า, ตวาด
Koreaans 악다구니를 쓰다, 쿵쾅거리다, 쿵쿵거리다, 폴터아벤트 개최하다, 폴터아벤트 열다, 호통치다
Azerbeidzjaans Polterabend keçirmək, Polterabend qeyd etmək, danlamaq, guruldamaq, söymək, taqqıldamaq
Georgisch დაბრახუნება, დატუქსვა, ლანძღვა, პოლტერაბენდი გამართვა, პოლტერაბენდის აღნიშვნა
Bengaals গালাগালি করা, ধপধপ করা, ধপাস করা, ধমকানো, পোলটারঅবেন্ড আয়োজন করা, পোলটারঅবেন্ড উদযাপন করা
Albanees festoj Polterabend, organizoj Polterabend, përplas, qortoj, shaj
Marathi खडसावणे, दटावणे, धडधडणे, धडामधूम करणे, पोल्टरअबेंड आयोजित करणे, पोल्टरअबेंड साजरा करणे
Nepalees गाली गर्नु, डाँट्नु, धडामधूम गर्नु, धम्मधम्म गर्नु, पोल्टरअबेंड आयोजना गर्नु, पोल्टरअबेंड मनाउनु
Telugu గురుగురలాడు, తిట్టడం, దూషించడం, పోల్టర్‌అబెండ్ జరుపుకొను, పోల్టర్‌అబెండ్ నిర్వహించు
Lets bārt, dauzīties, lamāt, rībēt, rīkot Polterabendu, svinēt Polterabendu
Tamil கத்துதல், தடதடத்தல், திட்டு
Ests kolistama, korraldada Polterabendit, mürisema, pidada Polterabendit, pragama, sõimama
Armeens Պոլտերաբենդ նշել, դղրդալ, կշտամբել, հայհոյել
Koerdisch Polterabend pîroz kirin, firçe danîn, qeqildan
Hebreeuwsלגדף، מסיבת רווקים، רעש
Arabischاحتفال قبل الزواج، شتم، صوت، ضجيج
Perzischبد و بیراه گفتن، جشن پیش از ازدواج، سر و صدا کردن، غوغا کردن
Urduشادی کی تقریب، شور مچانا، کھڑکھڑانا، گالی دینا

poltern in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van poltern

  • sich rumpelnd oder stoßen fortbewegen
  • durch Rumpeln oder durch Stoßen gegen etwas zu lärmen (lauter als klappern, leiser als donnern), rumpeln
  • grob schimpfen, schelten, schimpfen, tadeln
  • Polterabend feiern
  • Polterabend feiern, keifen, ramentern, rumpeln, donnern, motzen

poltern in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord poltern vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord poltern


De vervoeging van het werkwoord poltern wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord poltern is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (poltert - polterte - hat gepoltert) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary poltern en op poltern in de Duden.

poltern vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich polt(e)r(e)poltertepolt(e)repolterte-
du polterstpoltertestpolterstpoltertestpolt(e)r(e)
er poltertpoltertepolt(e)repolterte-
wir polternpoltertenpolternpoltertenpoltern
ihr poltertpoltertetpoltertpoltertetpoltert
sie polternpoltertenpolternpoltertenpoltern

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich polt(e)r(e), du polterst, er poltert, wir poltern, ihr poltert, sie poltern
  • Onvoltooid verleden tijd: ich polterte, du poltertest, er polterte, wir polterten, ihr poltertet, sie polterten
  • Perfectum: ich habe gepoltert, du hast gepoltert, er hat gepoltert, wir haben gepoltert, ihr habt gepoltert, sie haben gepoltert
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte gepoltert, du hattest gepoltert, er hatte gepoltert, wir hatten gepoltert, ihr hattet gepoltert, sie hatten gepoltert
  • Toekomende tijd I: ich werde poltern, du wirst poltern, er wird poltern, wir werden poltern, ihr werdet poltern, sie werden poltern
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gepoltert haben, du wirst gepoltert haben, er wird gepoltert haben, wir werden gepoltert haben, ihr werdet gepoltert haben, sie werden gepoltert haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich polt(e)re, du polterst, er polt(e)re, wir poltern, ihr poltert, sie poltern
  • Onvoltooid verleden tijd: ich polterte, du poltertest, er polterte, wir polterten, ihr poltertet, sie polterten
  • Perfectum: ich habe gepoltert, du habest gepoltert, er habe gepoltert, wir haben gepoltert, ihr habet gepoltert, sie haben gepoltert
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte gepoltert, du hättest gepoltert, er hätte gepoltert, wir hätten gepoltert, ihr hättet gepoltert, sie hätten gepoltert
  • Toekomende tijd I: ich werde poltern, du werdest poltern, er werde poltern, wir werden poltern, ihr werdet poltern, sie werden poltern
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gepoltert haben, du werdest gepoltert haben, er werde gepoltert haben, wir werden gepoltert haben, ihr werdet gepoltert haben, sie werden gepoltert haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde poltern, du würdest poltern, er würde poltern, wir würden poltern, ihr würdet poltern, sie würden poltern
  • Voltooid verleden tijd: ich würde gepoltert haben, du würdest gepoltert haben, er würde gepoltert haben, wir würden gepoltert haben, ihr würdet gepoltert haben, sie würden gepoltert haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: polt(e)r(e) (du), poltern wir, poltert (ihr), poltern Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: poltern, zu poltern
  • Infinitief II: gepoltert haben, gepoltert zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: polternd
  • Participle II: gepoltert

Opmerkingen



Inloggen

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: poltern

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 78472, 78472, 78472