Vervoeging van het Duitse werkwoord ackern

De vervoeging van het werkwoord ackern (zwoegen, akkeren) is regelmatig. De basisvormen zijn ackert, ackerte en hat geackert. Het hulpwerkwoord van ackern is "haben". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord ackern beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor ackern. Je kunt niet alleen ackern vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

C2 · regelmatig · haben

ackern

ackert · ackerte · hat geackert

 Geen informele e-wegval mogelijk 

Engels hoe, plow, till, cultivate, farm, labor, plough, plug away, slog away, struggle, till the soil, toil, work hard

/ˈakɐn/ · /ˈakɐt/ · /ˈakɐtə/ · /ɡəˈakɐt/

[…, Berufe] das Feld bestellen; sich mit etwas sehr abmühen; pflügen, bestellen (Boden), sich abmühen, werken

(acc., mit+D, an+D)

» Tom ackert und rackert auf dem Feld. Engels Tom works hard in the field.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van ackern

Tegenwoordige tijd

ich ack(e)⁴r(e)⁵
du ackerst
er ackert
wir ackern
ihr ackert
sie ackern

Onvoltooid verleden tijd

ich ackerte
du ackertest
er ackerte
wir ackerten
ihr ackertet
sie ackerten

Imperatief

-
ack(e)⁴r(e)⁵ (du)
-
ackern wir
ackert (ihr)
ackern Sie

Konjunktief I

ich ack(e)⁴re
du ackerst
er ack(e)⁴re
wir ackern
ihr ackert
sie ackern

Konjunktief II

ich ackerte
du ackertest
er ackerte
wir ackerten
ihr ackertet
sie ackerten

Infinitief

ackern
zu ackern

Deelwoord

ackernd
geackert

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord ackern vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich ack(e)⁴r(e)⁵
du ackerst
er ackert
wir ackern
ihr ackert
sie ackern

Onvoltooid verleden tijd

ich ackerte
du ackertest
er ackerte
wir ackerten
ihr ackertet
sie ackerten

Perfectum

ich habe geackert
du hast geackert
er hat geackert
wir haben geackert
ihr habt geackert
sie haben geackert

Volt. verl. tijd

ich hatte geackert
du hattest geackert
er hatte geackert
wir hatten geackert
ihr hattet geackert
sie hatten geackert

Toekomende tijd I

ich werde ackern
du wirst ackern
er wird ackern
wir werden ackern
ihr werdet ackern
sie werden ackern

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde geackert haben
du wirst geackert haben
er wird geackert haben
wir werden geackert haben
ihr werdet geackert haben
sie werden geackert haben

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Tom ackert und rackert auf dem Feld. 
  • Er ackerte wie ein Gaul und wurde schließlich krank. 
  • Sie ackern sich durch komplizierte, ellenlange Listen zur Abschätzung von Gefahrensituationen. 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord ackern in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich ack(e)⁴re
du ackerst
er ack(e)⁴re
wir ackern
ihr ackert
sie ackern

Konjunktief II

ich ackerte
du ackertest
er ackerte
wir ackerten
ihr ackertet
sie ackerten

Voltooid Konj.

ich habe geackert
du habest geackert
er habe geackert
wir haben geackert
ihr habet geackert
sie haben geackert

Konj. volt. verl. t.

ich hätte geackert
du hättest geackert
er hätte geackert
wir hätten geackert
ihr hättet geackert
sie hätten geackert

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde ackern
du werdest ackern
er werde ackern
wir werden ackern
ihr werdet ackern
sie werden ackern

Toek. volt. aanw.

ich werde geackert haben
du werdest geackert haben
er werde geackert haben
wir werden geackert haben
ihr werdet geackert haben
sie werden geackert haben

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde ackern
du würdest ackern
er würde ackern
wir würden ackern
ihr würdet ackern
sie würden ackern

Verleden cond.

ich würde geackert haben
du würdest geackert haben
er würde geackert haben
wir würden geackert haben
ihr würdet geackert haben
sie würden geackert haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord ackern


Tegenwoordige tijd

ack(e)⁴r(e)⁵ (du)
ackern wir
ackert (ihr)
ackern Sie

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor ackern


Infinitief I


ackern
zu ackern

Infinitief II


geackert haben
geackert zu haben

Tegenwoordig deelwoord


ackernd

Participle II


geackert

  • Im März sieht man überall die Bauern ackern . 
  • Um aus dieser Wildnis einen Garten zu machen, mussten wir ganz schön ackern . 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor ackern


  • Tom ackert und rackert auf dem Feld. 
    Engels Tom works hard in the field.
  • Im März sieht man überall die Bauern ackern . 
    Engels In March, you can see farmers working everywhere.
  • Er ackerte wie ein Gaul und wurde schließlich krank. 
    Engels He worked like a horse and eventually got sick.
  • Um aus dieser Wildnis einen Garten zu machen, mussten wir ganz schön ackern . 
    Engels To turn this wilderness into a garden, we had to work quite hard.
  • Sie ackern sich durch komplizierte, ellenlange Listen zur Abschätzung von Gefahrensituationen. 
    Engels They are working through complicated, lengthy lists to assess dangerous situations.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse ackern


Duits ackern
Engels hoe, plow, till, cultivate, farm, labor, plough, plug away
Russisch возделывать, пахать, вспахать, обрабатывать, вспахивать, обработать, орать, помогать
Spaans arar, labrar, cultivar, cultivar la tierra, doblar el lomo, esforzarse, luchar, trabajar duramente
Frans labourer, bosser, bousculer, cultiver, travailler, travailler dur
Turks çalışmak, ağır çalışmak, tarla sürmek, toprağı sürmek, uğraşmak
Portugees arar, cultivar, cultivar a terra, esforçar-se, lutar, machambar, mourejar, trabalhar arduamente
Italiaans arare, coltivare, coltivare la terra, faticare, lavorare, lavorare duramente, rompersi la schiena, sgobbare
Roemeens munci, cultiva, lucra pământul, trudi
Hongaars dolgozni, fáradozni, földet művelni, küzdeni, művelni, szánt
Pools harować, męczyć się, orać, pracować na polu, uprawiać
Grieks δουλεύω σκληρά, καλλιεργώ, κοπιάζω, σκοτώνομαι στη δουλειά
Nederlands zwoegen, akkeren, bewerken, hard werken, ploegen, ploeteren, telen, zwoegen met
Tsjechisch dřít, dřít se, obdělávat, orát, pracovat, pracovat na poli
Zweeds plöja, arbeta, arbeta hårt, knoga, odla, slita
Deens pløje, arbejde hårdt, bearbejde, dyrke, slid
Japans 奮闘する, 耕す, 苦労する, 農作業
Catalaans cultivar, esforçar-se, lluitar, treballar
Fins ahkeroida, pellon kyntäminen, työskennellä kovasti, työskentely
Noors arbeide, arbeide hardt, dyrke, pløye, slite
Baskisch lan egin, lan egitea, lurra lantzea, nekatzen
Servisch mukotrpno raditi, orati, raditi, truditi se, uzgajati
Macedonisch орање, труд
Sloveens delati na polju, garati, gojiti, orati, truditi se
Slowaaks drieť sa, orať, pracovať na poli, usilovne pracovať
Bosnisch mukotrpno raditi, orati, raditi, truditi se
Kroatisch mukotrpno raditi, orati, raditi, truditi se, uzgajati
Oekraïens обробляти, орати, потіти, працювати важко
Bulgaars мъча се, ора, отглеждам, работя усилено
Wit-Russisch апрацоўваць, араць, клапаціцца, працаваць
Indonesisch banting tulang, bersusah payah, membajak, menggarap, mengolah tanah
Vietnamees cày, canh tác, làm quần quật, trồng trọt
Oezbeeks haydamoq, shudgorlash, urinib-tirishmoq, zo‘r berib ishlamoq
Hindi खटना, जद्दोजहद करना, जोतना, हल चलाना
Chinees 拼命干, 耕, 耕作, 耕地, 耕种, 苦干
Thais ตรากตรำ, ทำงานหนัก, เพาะปลูก, ไถ
Koreaans 경작하다, 갈다, 악전고투하다, 죽어라 일하다
Azerbeidzjaans zəhmət çəkmək, çabalamaq, şum sürmək, şumlamaq
Georgisch იშრომა, წვალება, ხვნა
Bengaals খাটা, খেটে মারা, চাষ করা, হাল চালানো
Albanees kultivoj, mundohem, plugoj, përpiqem
Marathi खटाटोप करणे, खपणे, नांगरणे, शेती करणे
Nepalees खटिनु, जोत्नु, मेहनत गर्नु, हल चलाउनु
Telugu కష్టపడు, దున్నడం, వ్యవసాయం చేయడం, శ్రమించు
Lets apstrādāt zemi, art, nopūlēties, smagi strādāt
Tamil உழுதல், கஷ்டப்படு, பயிரிடுதல், பாடுபடு
Ests harima, kündma, rügama, vaeva nägema
Armeens չարչարվել, վարել, տքնել
Koerdisch jotin, têkoşîn
Hebreeuwsלהתאמץ، לטפח، לעבד، לשקוד
Arabischكدح، اجتهد، حرث، كد
Perzischزحمت کشیدن، زراعت کردن، سخت کار کردن، کشاورزی کردن
Urduمحنت کرنا، کوشش کرنا، کھیت جوتنا

ackern in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van ackern

  • das Feld bestellen, pflügen, bestellen (Boden), umackern, bearbeiten, kultivieren
  • [Berufe] sich mit etwas sehr abmühen, sich abmühen, werken, sich anstrengen, schuften, (hart oder schwer) arbeiten

ackern in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor ackern


  • jemand/etwas ackert an etwas
  • jemand/etwas ackert mit jemandem

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord ackern vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord ackern


De vervoeging van het werkwoord ackern wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord ackern is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (ackert - ackerte - hat geackert) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary ackern en op ackern in de Duden.

ackern vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ack(e)r(e)ackerteack(e)reackerte-
du ackerstackertestackerstackertestack(e)r(e)
er ackertackerteack(e)reackerte-
wir ackernackertenackernackertenackern
ihr ackertackertetackertackertetackert
sie ackernackertenackernackertenackern

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich ack(e)r(e), du ackerst, er ackert, wir ackern, ihr ackert, sie ackern
  • Onvoltooid verleden tijd: ich ackerte, du ackertest, er ackerte, wir ackerten, ihr ackertet, sie ackerten
  • Perfectum: ich habe geackert, du hast geackert, er hat geackert, wir haben geackert, ihr habt geackert, sie haben geackert
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte geackert, du hattest geackert, er hatte geackert, wir hatten geackert, ihr hattet geackert, sie hatten geackert
  • Toekomende tijd I: ich werde ackern, du wirst ackern, er wird ackern, wir werden ackern, ihr werdet ackern, sie werden ackern
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde geackert haben, du wirst geackert haben, er wird geackert haben, wir werden geackert haben, ihr werdet geackert haben, sie werden geackert haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich ack(e)re, du ackerst, er ack(e)re, wir ackern, ihr ackert, sie ackern
  • Onvoltooid verleden tijd: ich ackerte, du ackertest, er ackerte, wir ackerten, ihr ackertet, sie ackerten
  • Perfectum: ich habe geackert, du habest geackert, er habe geackert, wir haben geackert, ihr habet geackert, sie haben geackert
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte geackert, du hättest geackert, er hätte geackert, wir hätten geackert, ihr hättet geackert, sie hätten geackert
  • Toekomende tijd I: ich werde ackern, du werdest ackern, er werde ackern, wir werden ackern, ihr werdet ackern, sie werden ackern
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde geackert haben, du werdest geackert haben, er werde geackert haben, wir werden geackert haben, ihr werdet geackert haben, sie werden geackert haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde ackern, du würdest ackern, er würde ackern, wir würden ackern, ihr würdet ackern, sie würden ackern
  • Voltooid verleden tijd: ich würde geackert haben, du würdest geackert haben, er würde geackert haben, wir würden geackert haben, ihr würdet geackert haben, sie würden geackert haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ack(e)r(e) (du), ackern wir, ackert (ihr), ackern Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: ackern, zu ackern
  • Infinitief II: geackert haben, geackert zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: ackernd
  • Participle II: geackert

Opmerkingen



Inloggen

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: ackern

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 149210, 149210

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 7051864, 11364672

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 131214, 149210, 149210