Vervoeging van het Duitse werkwoord anfangen ⟨Bijzin⟩

De vervoeging van het werkwoord anfangen (beginnen, starten) is onregelmatig. De basisvormen zijn ... anfängt, ... anfing en ... angefangen hat. De ablaut vindt plaats met de stamklinkers a - i - a. Het hulpwerkwoord van anfangen is "haben". De eerste lettergreep an- van anfangen is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Bijzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord anfangen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor anfangen. Je kunt niet alleen anfangen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau A1. 1Opmerking ☆4.0

Video 

A1 · onregelmatig · haben · scheidbaar

an·fangen

... anfängt · ... anfing · ... angefangen hat

 Verandering van de stamklinker  a - i - a   Umlauten in de tegenwoordige tijd 

Engels start, begin, get going, take up, accomplish, achieve, begin doing, begin to do, bring about, embark on, embark upon, get down (to), get started, get under way, initiate, kick things off, make a start, set (about), start (with), start doing, start off with, start on (about), start to do, strike up, undertake

/ˈanˌfaŋən/ · /fɛŋt an/ · /fɪŋk an/ · /ˈfɪŋə an/ · /ˈan ɡəˌfan ɡən/

etwas beginnen; zuwege bringen; beginnen, öffnen, lancieren, mit sich bringen

(acc., mit+D, bei+D, von+D, als)

» Es hat angefangen . Engels It has begun.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van anfangen

Tegenwoordige tijd

... ich anfang(e)⁵
... du anfängst
... er anfängt
... wir anfangen
... ihr anfangt
... sie anfangen

Onvoltooid verleden tijd

... ich anfing
... du anfingst
... er anfing
... wir anfingen
... ihr anfingt
... sie anfingen

Imperatief

-
fang(e)⁵ (du) an
-
fangen wir an
fangt (ihr) an
fangen Sie an

Konjunktief I

... ich anfange
... du anfangest
... er anfange
... wir anfangen
... ihr anfanget
... sie anfangen

Konjunktief II

... ich anfinge
... du anfingest
... er anfinge
... wir anfingen
... ihr anfinget
... sie anfingen

Infinitief

anfangen
anzufangen

Deelwoord

anfangend
angefangen

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord anfangen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

... ich anfang(e)⁵
... du anfängst
... er anfängt
... wir anfangen
... ihr anfangt
... sie anfangen

Onvoltooid verleden tijd

... ich anfing
... du anfingst
... er anfing
... wir anfingen
... ihr anfingt
... sie anfingen

Perfectum

... ich angefangen habe
... du angefangen hast
... er angefangen hat
... wir angefangen haben
... ihr angefangen habt
... sie angefangen haben

Volt. verl. tijd

... ich angefangen hatte
... du angefangen hattest
... er angefangen hatte
... wir angefangen hatten
... ihr angefangen hattet
... sie angefangen hatten

Toekomende tijd I

... ich anfangen werde
... du anfangen wirst
... er anfangen wird
... wir anfangen werden
... ihr anfangen werdet
... sie anfangen werden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

... ich angefangen haben werde
... du angefangen haben wirst
... er angefangen haben wird
... wir angefangen haben werden
... ihr angefangen haben werdet
... sie angefangen haben werden

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Ich fange wieder an . 
  • Der Herbst fängt im Oktober an . 
  • Das erste Semester fängt im April an . 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord anfangen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

... ich anfange
... du anfangest
... er anfange
... wir anfangen
... ihr anfanget
... sie anfangen

Konjunktief II

... ich anfinge
... du anfingest
... er anfinge
... wir anfingen
... ihr anfinget
... sie anfingen

Voltooid Konj.

... ich angefangen habe
... du angefangen habest
... er angefangen habe
... wir angefangen haben
... ihr angefangen habet
... sie angefangen haben

Konj. volt. verl. t.

... ich angefangen hätte
... du angefangen hättest
... er angefangen hätte
... wir angefangen hätten
... ihr angefangen hättet
... sie angefangen hätten

Toekomende aanvoegende wijs I

... ich anfangen werde
... du anfangen werdest
... er anfangen werde
... wir anfangen werden
... ihr anfangen werdet
... sie anfangen werden

Toek. volt. aanw.

... ich angefangen haben werde
... du angefangen haben werdest
... er angefangen haben werde
... wir angefangen haben werden
... ihr angefangen haben werdet
... sie angefangen haben werden

  • Mein größter Wunsch wäre es, wenn Tom anfinge , Deutsch zu lernen, aber den Gefallen wird er mir wohl nicht tun. 
  • Erst als die Influencer anfingen , die Produkte in die Kamera zu halten, ging das Geschäft richtig los. 

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

... ich anfangen würde
... du anfangen würdest
... er anfangen würde
... wir anfangen würden
... ihr anfangen würdet
... sie anfangen würden

Verleden cond.

... ich angefangen haben würde
... du angefangen haben würdest
... er angefangen haben würde
... wir angefangen haben würden
... ihr angefangen haben würdet
... sie angefangen haben würden

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord anfangen


Tegenwoordige tijd

fang(e)⁵ (du) an
fangen wir an
fangt (ihr) an
fangen Sie an

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor anfangen


Infinitief I


anfangen
anzufangen

Infinitief II


angefangen haben
angefangen zu haben

Tegenwoordig deelwoord


anfangend

Participle II


angefangen

  • Es hat angefangen . 
  • Hat der Film schon angefangen ? 
  • Mein Bruder hat bei einer großen Firma angefangen . 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor anfangen


  • Es hat angefangen . 
    Engels It has begun.
  • Ich fange wieder an . 
    Engels I am starting again.
  • Hat der Film schon angefangen ? 
    Engels Has the movie started yet?
  • Der Herbst fängt im Oktober an . 
    Engels Fall begins in October.
  • Das erste Semester fängt im April an . 
    Engels The first term starts in April.
  • Mein Bruder hat bei einer großen Firma angefangen . 
    Engels My brother has started at a big company.
  • Wer wird anfangen ? 
    Engels Who'll start?

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse anfangen


Duits anfangen
Engels start, begin, get going, take up, accomplish, achieve, begin doing, begin to do
Russisch начинать, начало, начать, приступать, начаться, начинаться, приняться, приступить
Spaans iniciar, comenzar, empezar, realizar
Frans commencer, débuter, commencer par, accomplir, engager, entamer, entreprendre, réaliser
Turks başlamak, girişmek
Portugees iniciar, começar, começar com, concretizar, iniciar-se, principiar, realizar
Italiaans cominciare, iniziare, attaccare, esordire, incominciare
Roemeens începe, incepe, porni, început
Hongaars elkezdeni, kezdeni, elkezd, kezd, kezdeményez, megvalósítani, vállalkozik
Pools rozpoczynać, rozpocząć, zaczynać, poczynać, począć, podjąć, przedsięwziąć, rozpoczynać się
Grieks αρχίζω, άρχω, ξεκινώ, κάνω
Nederlands beginnen, starten, aanpakken, ondernemen, van start gaan, aanvangen, doen
Tsjechisch zahájit, začít, počít, začínat, začínatčít
Zweeds börja, begynna, inledas, företag, inleda, påbörja, utföra, åstadkomma
Deens starte, begynde, påbegynde
Japans 開始する, 始める, 取り組む, 始まる, 着手する
Catalaans començar, iniciar, emprendre
Fins alkaa, aloittaa, ruveta, ryhtyä, saada aikaan, tehdä
Noors begynne, starte, foreta, ta, ta til med
Baskisch hasieratu, hasiera eman, hastea, abian jarri, hasi
Servisch započeti, početi, preduzeti
Macedonisch започнува, почнува, започнувам, предприемам
Sloveens začeti, prvič začeti
Slowaaks začať, začiatok, podniknúť
Bosnisch započeti, početi
Kroatisch započeti, početi, poduzeti
Oekraïens розпочинати, почати, починати, розпочати, стартувати, започаткувати, зробити перший крок, класти початок
Bulgaars начало, започвам, предприемам, приступвам
Wit-Russisch займацца, зачынаць, зрабіць, пачаць, пачынаць
Indonesisch berasal, memulai, mengerjakan, mewujudkan, mulai
Vietnamees bắt đầu, bắt tay, gây ra, xuất phát, đảm nhận
Oezbeeks bajarishga kirishmoq, boshlanmoq, boshlash, hosil qilmoq, kelib chiqmoq
Hindi आरम्भ करना, पूरा करना, शुरू करना, शुरू होना
Chinees 开始, 实现, 承担, 着手, 起源于
Thais เริ่ม, เริ่มต้น, ก่อให้เกิด, รับภาระ, เกิดจาก
Koreaans 시작하다, 개시하다, 시작되다, 일으키다, 착수하다
Azerbeidzjaans başlamaq, mənbə olmaq, nəticələndirmək, öz üzərinə götürmək
Georgisch დაწყება, დაიწყოს, შექმნა
Bengaals উৎপত্তি হওয়া, ঘটানো, দায়িত্ব নেওয়া, শুরু করা, শুরু হওয়া, শুরু হওয়া
Albanees filloj, filloni, ndërmarr, origjinoj, realizojë
Marathi आरंभ होणे, घडवणे, पहल करणे, शुरू करणे, शुरू होणे, सुरू करणे
Nepalees सुरु गर्नु, उत्पत्ति हुनु, जिम्मेवारी लिने, सिर्जना गर्नु, सुरु हुनु
Telugu మొదలవ్వడం, పని చేపట్టడం, ప్రారంభించడం, ప్రారంభించుట
Lets sākt, panākt, radīties, sākties, uzsākt, uzņemties
Tamil எடுத்துக்கொள்ளுதல், செயலாக்கு, துவக்குதல், தொடங்குவது
Ests alustada, alustama, algama, tekitama, võtta ette
Armeens սկսել, առաջացնել, ծագել, սկսվել, ստանձնել
Koerdisch destpê kirin, dest pê kirin, çêkirin
Hebreeuwsלהתחיל
Arabischيبدأ، يشرع، بدأ، ينطلق
Perzischآغاز کردن، شروع کردن، آغازکردن، آغازیدن، اغاز کردن، انجام دادن
Urduآغاز کرنا، شروع کرنا، انجام دینا

anfangen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van anfangen

  • etwas beginnen, zuwege bringen, beginnen, etwas in Gang setzen, starten
  • zeitlich beginnen, seinen Ausgangszeitpunkt haben, örtlich beginnen, seinen Ausgangspunkt haben, beginnen, losgehen
  • beginnen, öffnen, lancieren, mit sich bringen, loslegen, anbrechen

anfangen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor anfangen


  • etwas fängt mit etwas an
  • jemand fängt bei jemandem an
  • jemand fängt bei jemandem irgendwann an
  • jemand fängt etwas mit etwas an
  • jemand fängt mit etwas an
  • jemand fängt von jemandem/etwas an
  • jemand/etwas fängt als ein solcher/eine solche/ein solches an
  • jemand/etwas fängt etwas mit etwas an
  • ...

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord anfangen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord anfangen


De vervoeging van het werkwoord an·fangen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord an·fangen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (... anfängt - ... anfing - ... angefangen hat) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary anfangen en op anfangen in de Duden.

anfangen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ... anfang(e)... anfing... anfange... anfinge-
du ... anfängst... anfingst... anfangest... anfingestfang(e) an
er ... anfängt... anfing... anfange... anfinge-
wir ... anfangen... anfingen... anfangen... anfingenfangen an
ihr ... anfangt... anfingt... anfanget... anfingetfangt an
sie ... anfangen... anfingen... anfangen... anfingenfangen an

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich anfang(e), ... du anfängst, ... er anfängt, ... wir anfangen, ... ihr anfangt, ... sie anfangen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich anfing, ... du anfingst, ... er anfing, ... wir anfingen, ... ihr anfingt, ... sie anfingen
  • Perfectum: ... ich angefangen habe, ... du angefangen hast, ... er angefangen hat, ... wir angefangen haben, ... ihr angefangen habt, ... sie angefangen haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich angefangen hatte, ... du angefangen hattest, ... er angefangen hatte, ... wir angefangen hatten, ... ihr angefangen hattet, ... sie angefangen hatten
  • Toekomende tijd I: ... ich anfangen werde, ... du anfangen wirst, ... er anfangen wird, ... wir anfangen werden, ... ihr anfangen werdet, ... sie anfangen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich angefangen haben werde, ... du angefangen haben wirst, ... er angefangen haben wird, ... wir angefangen haben werden, ... ihr angefangen haben werdet, ... sie angefangen haben werden

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich anfange, ... du anfangest, ... er anfange, ... wir anfangen, ... ihr anfanget, ... sie anfangen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich anfinge, ... du anfingest, ... er anfinge, ... wir anfingen, ... ihr anfinget, ... sie anfingen
  • Perfectum: ... ich angefangen habe, ... du angefangen habest, ... er angefangen habe, ... wir angefangen haben, ... ihr angefangen habet, ... sie angefangen haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich angefangen hätte, ... du angefangen hättest, ... er angefangen hätte, ... wir angefangen hätten, ... ihr angefangen hättet, ... sie angefangen hätten
  • Toekomende tijd I: ... ich anfangen werde, ... du anfangen werdest, ... er anfangen werde, ... wir anfangen werden, ... ihr anfangen werdet, ... sie anfangen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich angefangen haben werde, ... du angefangen haben werdest, ... er angefangen haben werde, ... wir angefangen haben werden, ... ihr angefangen haben werdet, ... sie angefangen haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich anfangen würde, ... du anfangen würdest, ... er anfangen würde, ... wir anfangen würden, ... ihr anfangen würdet, ... sie anfangen würden
  • Voltooid verleden tijd: ... ich angefangen haben würde, ... du angefangen haben würdest, ... er angefangen haben würde, ... wir angefangen haben würden, ... ihr angefangen haben würdet, ... sie angefangen haben würden

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: fang(e) (du) an, fangen wir an, fangt (ihr) an, fangen Sie an

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: anfangen, anzufangen
  • Infinitief II: angefangen haben, angefangen zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: anfangend
  • Participle II: angefangen

Opmerkingen


2017/11 · Beantwoorden
★★★★ Alex zegt: really useful


Inloggen

Inloggen

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: anfangen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 26221, 26221, 26221

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 2994767, 7161411, 11267713, 1779345, 10046093, 349792, 10377478, 2204071

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 610774, 26221, 17985, 32903, 2701