Vervoeging van het Duitse werkwoord abfliegen (hat) ⟨Bijzin⟩

De vervoeging van het werkwoord abfliegen (afreizen, afvliegen) is onregelmatig. De basisvormen zijn ... abfliegt, ... abflog en ... abgeflogen hat. De ablaut vindt plaats met de stamklinkers ie - o - o. Het hulpwerkwoord van abfliegen is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De eerste lettergreep ab- van abfliegen is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Bijzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord abfliegen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor abfliegen. Je kunt niet alleen abfliegen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau A1. Opmerkingen

haben
ab·fliegen
sein
ab·fliegen
Video 

A1 · onregelmatig · haben · scheidbaar

ab·fliegen

... abfliegt · ... abflog · ... abgeflogen hat

 Verandering van de stamklinker  ie - o - o 

Engels patrol, depart, fly along, fly out, fly over, overfly, take off

/ˈap.fliːɡn̩/ · /fliːkt ap/ · /floːk ap/ · /fløːɡə ap/ · /ˈap.ɡəˈfloːɡn̩/

mit einem Luftfahrzeug von einem Ort (Unfallort) wegbringen; eine Strecke prüfend überfliegen, suchend entlangfliegen; ausfliegen

(acc., nach+D, von+D)

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van abfliegen (hat)

Tegenwoordige tijd

... ich abflieg(e)⁵
... du abfliegst
... er abfliegt
... wir abfliegen
... ihr abfliegt
... sie abfliegen

Onvoltooid verleden tijd

... ich abflog
... du abflogst
... er abflog
... wir abflogen
... ihr abflogt
... sie abflogen

Imperatief

-
flieg(e)⁵ (du) ab
-
fliegen wir ab
fliegt (ihr) ab
fliegen Sie ab

Konjunktief I

... ich abfliege
... du abfliegest
... er abfliege
... wir abfliegen
... ihr abflieget
... sie abfliegen

Konjunktief II

... ich abflöge
... du abflögest
... er abflöge
... wir abflögen
... ihr abflöget
... sie abflögen

Infinitief

abfliegen
abzufliegen

Deelwoord

abfliegend
abgeflogen

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord abfliegen (hat) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

... ich abflieg(e)⁵
... du abfliegst
... er abfliegt
... wir abfliegen
... ihr abfliegt
... sie abfliegen

Onvoltooid verleden tijd

... ich abflog
... du abflogst
... er abflog
... wir abflogen
... ihr abflogt
... sie abflogen

Perfectum

... ich abgeflogen habe
... du abgeflogen hast
... er abgeflogen hat
... wir abgeflogen haben
... ihr abgeflogen habt
... sie abgeflogen haben

Volt. verl. tijd

... ich abgeflogen hatte
... du abgeflogen hattest
... er abgeflogen hatte
... wir abgeflogen hatten
... ihr abgeflogen hattet
... sie abgeflogen hatten

Toekomende tijd I

... ich abfliegen werde
... du abfliegen wirst
... er abfliegen wird
... wir abfliegen werden
... ihr abfliegen werdet
... sie abfliegen werden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

... ich abgeflogen haben werde
... du abgeflogen haben wirst
... er abgeflogen haben wird
... wir abgeflogen haben werden
... ihr abgeflogen haben werdet
... sie abgeflogen haben werden

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord abfliegen (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

... ich abfliege
... du abfliegest
... er abfliege
... wir abfliegen
... ihr abflieget
... sie abfliegen

Konjunktief II

... ich abflöge
... du abflögest
... er abflöge
... wir abflögen
... ihr abflöget
... sie abflögen

Voltooid Konj.

... ich abgeflogen habe
... du abgeflogen habest
... er abgeflogen habe
... wir abgeflogen haben
... ihr abgeflogen habet
... sie abgeflogen haben

Konj. volt. verl. t.

... ich abgeflogen hätte
... du abgeflogen hättest
... er abgeflogen hätte
... wir abgeflogen hätten
... ihr abgeflogen hättet
... sie abgeflogen hätten

Toekomende aanvoegende wijs I

... ich abfliegen werde
... du abfliegen werdest
... er abfliegen werde
... wir abfliegen werden
... ihr abfliegen werdet
... sie abfliegen werden

Toek. volt. aanw.

... ich abgeflogen haben werde
... du abgeflogen haben werdest
... er abgeflogen haben werde
... wir abgeflogen haben werden
... ihr abgeflogen haben werdet
... sie abgeflogen haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

... ich abfliegen würde
... du abfliegen würdest
... er abfliegen würde
... wir abfliegen würden
... ihr abfliegen würdet
... sie abfliegen würden

Verleden cond.

... ich abgeflogen haben würde
... du abgeflogen haben würdest
... er abgeflogen haben würde
... wir abgeflogen haben würden
... ihr abgeflogen haben würdet
... sie abgeflogen haben würden

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord abfliegen (hat)


Tegenwoordige tijd

flieg(e)⁵ (du) ab
fliegen wir ab
fliegt (ihr) ab
fliegen Sie ab

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor abfliegen (hat)


Infinitief I


abfliegen
abzufliegen

Infinitief II


abgeflogen haben
abgeflogen zu haben

Tegenwoordig deelwoord


abfliegend

Participle II


abgeflogen

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse abfliegen (hat)


Duits abfliegen (hat)
Engels depart, patrol, fly along, fly out, fly over, overfly, take off
Russisch облетать, вылетать, отлетать, взлетать, вывозить самолётом, вылететь, высохнуть, высыхать
Spaans sobrevolar, despegar, volar
Frans décoller, survoler, transporter par avion, évacuer
Turks uçmak, havalanmak, kalkmak, Havalanmak
Portugees decolar, partir, sobrevoar, voar sobre
Italiaans sorvolare, decollare, partire, volare sopra
Roemeens decola, survola, zburând
Hongaars elrepülni, keresni, átvizsgálni
Pools odlatywać, oblatywać, oblecieć, odlecieć, przelatywać, przelot, wylecieć
Grieks αναχώρηση, ανιχνεύω με αεροπλάνο, απογείωση, πετάω, υπερπτήση
Nederlands afreizen, afvliegen, afvluchten, evacueren, inspecteren, opstijgen, overvliegen
Tsjechisch odletět, obletět, přeletět, přelétat
Zweeds avflygning, flyga bort, flyga över, överse
Deens afflyvning, afgå, overflyve
Japans 飛び立つ, 出発する, 離陸する
Catalaans volar, desplaçar, sobrevolar
Fins lennellä, lähteä, lähteä ilmaan, ylilennellä
Noors avreise, fly bort, fly over, sjekke
Baskisch hegaldi, hegan
Servisch odleteti, preleteti, proleteti, облетети, одлетети
Macedonisch отлетување, прелетување
Sloveens odleteti, preleteti
Slowaaks odletieť, prelet, preletieť
Bosnisch odletjeti, preletjeti, proletjeti
Kroatisch odletjeti, preletjeti, proletjeti
Oekraïens вилітати, відлетіти, відлітати, переліт, перелітати
Bulgaars излитане, прелитам, преминавам
Wit-Russisch адлятаць, пралятаць, пралятаць над
Indonesisch mengangkut dengan helikopter, mengevakuasi lewat udara, terbang memeriksa, terbang menyusuri
Vietnamees bay dọc để tìm kiếm, bay kiểm tra, không vận, đưa đi bằng trực thăng
Oezbeeks havo yo‘li bilan evakuatsiya qilish, havodan tekshirmoq, razvedka qilmoq, vertolyotda olib ketmoq
Hindi ऊपर से निरीक्षण करना, एयरलिफ्ट करना, जाँच के लिये उड़ना, हवाई निकासी करना
Chinees 沿线侦察, 盘旋侦察, 直升机转运, 空运撤离
Thais บินตรวจ, บินลาดตระเวน, ลำเลียงด้วยเฮลิคอปเตอร์, อพยพทางอากาศ
Koreaans 정찰 비행하다, 정찰하다, 항공으로 이송하다, 헬기로 이송하다
Azerbeidzjaans havadən yoxlamaq, patrul uçuşu etmək, hava yolu ilə təxliyə etmək, vertolyotla aparmaq
Georgisch ვერტმფრენით გადაყვანა, ჰაერიდან შემოწმება, ჰაერით ევაკუირება, ჰაერული დაზვერვა
Bengaals আকাশ থেকে পরিদর্শন করা, উড়ে খোঁজ করা, এয়ারলিফ্ট করা, হেলিকপ্টারে সরিয়ে নেওয়া
Albanees evakuoj me ajër, fluturoj për të kontrolluar, fluturoj për të kërkuar, transportoj me helikopter
Marathi एअरलिफ्ट करणे, हवाई मार्गे हलवणे, हवेतून तपासणे, हवेतून शोधणे
Nepalees हवाई निकासी गर्नु, हावाबाट खोज्नु, हावाबाट जाँच गर्नु, हेलिकप्टरबाट सार्नु
Telugu ఎయిర్‌లిఫ్ట్ చేయడం, గాలిలోనించి పరిశీలించడం, పరిశోధన కోసం ఎగరడం, హెలికాప్టర్ ద్వారా తరలించడం
Lets evakuēt ar gaisa transportu, izlūkot, nogādāt ar helikopteru, pārlidot pāri
Tamil ஏர்லிஃப்ட் செய்யுதல், வானில் ஆய்வு செய்ய, வானில் தேடிப் பறக்க, ஹெலிகாப்டரில் மாற்றுதல்
Ests helikopteriga ära viima, õhu teel evakueerima, õhust uurima, üle lennata ja kontrollida
Armeens ուղղաթիռով տեղափոխել, օդային հետախուզություն իրականացնել, օդից հետազոտել, օդով տարհանել
Koerdisch bi balafirê derxistin, bi helikopterê veguhastin, havê kontrol kirin, şopandin
Hebreeuwsלהמריא، לטוס، לעוף
Arabischإقلاع، تحليق، طيران
Perzischپرواز کردن، پرواز
Urduاڑنا، پرواز کرنا

abfliegen (hat) in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van abfliegen (hat)

  • einen Ort fliegend verlassen, fortfliegen, losfliegen, wegfliegen, davonfliegen, starten
  • mit einem Luftfahrzeug von einem Ort (Unfallort) wegbringen, ausfliegen
  • eine Strecke prüfend überfliegen, suchend entlangfliegen
  • davonfahren, (von etwas) fortfahren, abreisen, abfahren, aufbrechen, wegfahren

abfliegen (hat) in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor abfliegen (hat)


  • jemand/etwas fliegt etwas nach etwas ab
  • jemand/etwas fliegt von etwas ab

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord abfliegen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord abfliegen (hat)


De vervoeging van het werkwoord ab·fliegen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord ab·fliegen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (... abfliegt - ... abflog - ... abgeflogen hat) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary abfliegen en op abfliegen in de Duden.

abfliegen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ... abflieg(e)... abflog... abfliege... abflöge-
du ... abfliegst... abflogst... abfliegest... abflögestflieg(e) ab
er ... abfliegt... abflog... abfliege... abflöge-
wir ... abfliegen... abflogen... abfliegen... abflögenfliegen ab
ihr ... abfliegt... abflogt... abflieget... abflögetfliegt ab
sie ... abfliegen... abflogen... abfliegen... abflögenfliegen ab

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich abflieg(e), ... du abfliegst, ... er abfliegt, ... wir abfliegen, ... ihr abfliegt, ... sie abfliegen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich abflog, ... du abflogst, ... er abflog, ... wir abflogen, ... ihr abflogt, ... sie abflogen
  • Perfectum: ... ich abgeflogen habe, ... du abgeflogen hast, ... er abgeflogen hat, ... wir abgeflogen haben, ... ihr abgeflogen habt, ... sie abgeflogen haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich abgeflogen hatte, ... du abgeflogen hattest, ... er abgeflogen hatte, ... wir abgeflogen hatten, ... ihr abgeflogen hattet, ... sie abgeflogen hatten
  • Toekomende tijd I: ... ich abfliegen werde, ... du abfliegen wirst, ... er abfliegen wird, ... wir abfliegen werden, ... ihr abfliegen werdet, ... sie abfliegen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich abgeflogen haben werde, ... du abgeflogen haben wirst, ... er abgeflogen haben wird, ... wir abgeflogen haben werden, ... ihr abgeflogen haben werdet, ... sie abgeflogen haben werden

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich abfliege, ... du abfliegest, ... er abfliege, ... wir abfliegen, ... ihr abflieget, ... sie abfliegen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich abflöge, ... du abflögest, ... er abflöge, ... wir abflögen, ... ihr abflöget, ... sie abflögen
  • Perfectum: ... ich abgeflogen habe, ... du abgeflogen habest, ... er abgeflogen habe, ... wir abgeflogen haben, ... ihr abgeflogen habet, ... sie abgeflogen haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich abgeflogen hätte, ... du abgeflogen hättest, ... er abgeflogen hätte, ... wir abgeflogen hätten, ... ihr abgeflogen hättet, ... sie abgeflogen hätten
  • Toekomende tijd I: ... ich abfliegen werde, ... du abfliegen werdest, ... er abfliegen werde, ... wir abfliegen werden, ... ihr abfliegen werdet, ... sie abfliegen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich abgeflogen haben werde, ... du abgeflogen haben werdest, ... er abgeflogen haben werde, ... wir abgeflogen haben werden, ... ihr abgeflogen haben werdet, ... sie abgeflogen haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich abfliegen würde, ... du abfliegen würdest, ... er abfliegen würde, ... wir abfliegen würden, ... ihr abfliegen würdet, ... sie abfliegen würden
  • Voltooid verleden tijd: ... ich abgeflogen haben würde, ... du abgeflogen haben würdest, ... er abgeflogen haben würde, ... wir abgeflogen haben würden, ... ihr abgeflogen haben würdet, ... sie abgeflogen haben würden

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: flieg(e) (du) ab, fliegen wir ab, fliegt (ihr) ab, fliegen Sie ab

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: abfliegen, abzufliegen
  • Infinitief II: abgeflogen haben, abgeflogen zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: abfliegend
  • Participle II: abgeflogen

Opmerkingen



Inloggen

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: abfliegen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 173917, 173917, 173917