Konjunktiv II van het Duitse werkwoord aufbinden
De vormen van de vervoeging van aufbinden (opbinden, belasten) in de aanvoegende wijs II zijn: ich bände/bünde auf, du bändest/bündest auf, er bände/bünde auf, wir bänden/bünden auf, ihr bändet/bündet auf, sie bänden/bünden auf
.
Als onregelmatig, sterk werkwoord met ablaut ä/ü
wordt in de conjunctief de stam bänd/bünd
gebruikt.
Aan deze stam worden de sterke conjunctiefuitgangen -e,
-est,
-e,
-en,
-et,
-en
toegevoegd.
Het voorvoegsel auf-
van aufbinden
wordt gescheiden.
De vorming van deze verbuigingen komt overeen met de grammaticaregels voor de vervoeging van werkwoorden in de aanvoegende wijs II.
onregelmatig · haben · scheidbaar
Konjunktiv II
| ich | bände/bünde | auf |
| du | bändest/bündest | auf |
| er | bände/bünde | auf |
| wir | bänden/bünden | auf |
| ihr | bändet/bündet | auf |
| sie | bänden/bünden | auf |
Werkwoordschema Verbuigingsregels
- Vorming van Tegenwoordige tijd van aufbinden
- Vorming van Onvoltooid verleden tijd van aufbinden
- Vorming van Imperatief van aufbinden
- Vorming van Konjunktiv I van aufbinden
- Vorming van Konjunktiv II van aufbinden
- Vorming van Infinitief van aufbinden
- Vorming van Deelwoord van aufbinden
- Hoe vervoeg je werkwoorden in het Duits?
Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Imperatief Conjunctief I Conjunctief II Infinitief Deelwoord
Verdere regels voor de vervoeging van aufbinden
- Hoe vervoeg je aufbinden in Tegenwoordige tijd?
- Hoe vervoeg je aufbinden in Onvoltooid verleden tijd?
- Hoe vervoeg je aufbinden in Imperatief?
- Hoe vervoeg je aufbinden in Konjunktiv I?
- Hoe vervoeg je aufbinden in Konjunktiv II?
- Hoe vervoeg je aufbinden in Infinitief?
- Hoe vervoeg je aufbinden in Deelwoord?
- Hoe vervoeg je werkwoorden in het Duits?
Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Imperatief Conjunctief I Conjunctief II Infinitief Deelwoord
Vertalingen
Vertalingen van het Duitse aufbinden
-
aufbinden
burden, deceive, loose, turn up, unbind, undo, unlace, untie
завязывать, заканчивать вязать, закончить вязать, навязать, навязывать, обременять, отвязать, отвязывать
desatar, atar, cargar, deshacer, desligar, encuadernar, engañar, soltar
attacher, charger, défaire, délacer, délier, dénouer, lier
bağlamak, kandırmak, yutturmak, yüklemek, çözmek
amarrar, carregar, desamarrar, desatacar, desatar, enganar, impor
legare, slegare, alzare, disfare, fissare a, imporre, ingannare, legare a
desface, legare, ridica, încărca, înșela
felköt, felkötni, kötni, megkárosítani
bindować, obciążać, rozsznurowywać, rozwiązać, rozwiązywać, wiązać, zbindować
δέσιμο, λύνω, ξεδένω, φορτίο
opbinden, belasten, binden, losknopen, losmaken, opsteken, vastbinden, vastmaken
naložit, oklamat, přivázat, rozvazovat, rozvazovatvázat, svázat, uvolnit
belasta, binda, binda upp, knyta upp, lös, lösa upp
belaste, binde, binde op, løse, løse op
だます, 結ぶ, 解く, 負担をかける, 高く結ぶ
carregar, deslligar
kuormittaa, sidonta, sitoutua
binde, bånd, løse
altxatu, askatu, engainatu, kargatu, lotu
opterećivati, vezati
врзување, обременување, разврзување
naložiti, vezati
naložiť, oklamať, pripevniť, uvoľniť, viazať
opterećivati, otvoriti, povezati, prevariti, vezati
opterećivati, otvoriti, povezati, prevariti, vezati
зав'язувати, обтяжувати
връзвам, обременявам
завязваць, падманваць
melepaskan, menipu
cởi, lừa
aldamoq, yechmoq
खोलना, छलना
欺骗, 解开
หลอก, แก้
속이다, 풀다
aldatmaq, açmaq
ატყუება, გახსნა
খোলা, ঠকানো
mashtroj, zgjidh
फसवणे, सोडवणे
खोल्नु, छल्नु
విప్పు
apmānīt, atraisīt
அவிழ், ஏமாற்று
lahti siduma, petma
արձակել, խաբել
firîbkirin, vekirin
להטיל، לפתוח، לקשור
تحميل، حل، خداع، ربط، رفع، فك
بستن، گذاشتن
باندھنا، لٹکانا
aufbinden in dict.cc
Vertalingen
Doe mee
Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.
|
|
Inloggen |
Werkwoordsvormen in Konjunktiv II van aufbinden
Het werkwoord aufbinden is volledig vervoegd in alle personen en getallen in de Conjunctief Onvoltooid verleden tijd
Conjunctief Onvoltooid verleden tijdMogelijkheidsvorm
- ich bände/bünde auf (1e persoonEnkelvoud)
- du bändest/bündest auf (2e persoonEnkelvoud)
- er bände/bünde auf (3e persoonEnkelvoud)
- wir bänden/bünden auf (1e persoonMeervoud)
- ihr bändet/bündet auf (2e persoonMeervoud)
- sie bänden/bünden auf (3e persoonMeervoud)