Vervoeging van het Duitse werkwoord kanteln

De vervoeging van het werkwoord kanteln (afwerken) is regelmatig. De basisvormen zijn kantelt, kantelte en hat gekantelt. Het hulpwerkwoord van kanteln is "haben". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord kanteln beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor kanteln. Je kunt niet alleen kanteln vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Opmerkingen

regelmatig · haben

kanteln

kantelt · kantelte · hat gekantelt

 Geen informele e-wegval mogelijk 

Engels bind with blanket stitch, hem, overcast

/ˈkantl̩n/ · /ˈkantəlt/ · /ˈkantəltə/ · /ɡəˈkantəlt/

Naht oder Stoffrand mit Schlingenstich versäubern; kanten

acc.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van kanteln

Tegenwoordige tijd

ich kant(e)l(e)⁵
du kantelst
er kantelt
wir kanteln
ihr kantelt
sie kanteln

Onvoltooid verleden tijd

ich kantelte
du kanteltest
er kantelte
wir kantelten
ihr kanteltet
sie kantelten

Imperatief

-
kant(e)l(e)⁵ (du)
-
kanteln wir
kantelt (ihr)
kanteln Sie

Konjunktief I

ich kant(e)le
du kantelst
er kant(e)le
wir kanteln
ihr kantelt
sie kanteln

Konjunktief II

ich kantelte
du kanteltest
er kantelte
wir kantelten
ihr kanteltet
sie kantelten

Infinitief

kanteln
zu kanteln

Deelwoord

kantelnd
gekantelt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord kanteln vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich kant(e)l(e)⁵
du kantelst
er kantelt
wir kanteln
ihr kantelt
sie kanteln

Onvoltooid verleden tijd

ich kantelte
du kanteltest
er kantelte
wir kantelten
ihr kanteltet
sie kantelten

Perfectum

ich habe gekantelt
du hast gekantelt
er hat gekantelt
wir haben gekantelt
ihr habt gekantelt
sie haben gekantelt

Volt. verl. tijd

ich hatte gekantelt
du hattest gekantelt
er hatte gekantelt
wir hatten gekantelt
ihr hattet gekantelt
sie hatten gekantelt

Toekomende tijd I

ich werde kanteln
du wirst kanteln
er wird kanteln
wir werden kanteln
ihr werdet kanteln
sie werden kanteln

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde gekantelt haben
du wirst gekantelt haben
er wird gekantelt haben
wir werden gekantelt haben
ihr werdet gekantelt haben
sie werden gekantelt haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord kanteln in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich kant(e)le
du kantelst
er kant(e)le
wir kanteln
ihr kantelt
sie kanteln

Konjunktief II

ich kantelte
du kanteltest
er kantelte
wir kantelten
ihr kanteltet
sie kantelten

Voltooid Konj.

ich habe gekantelt
du habest gekantelt
er habe gekantelt
wir haben gekantelt
ihr habet gekantelt
sie haben gekantelt

Konj. volt. verl. t.

ich hätte gekantelt
du hättest gekantelt
er hätte gekantelt
wir hätten gekantelt
ihr hättet gekantelt
sie hätten gekantelt

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde kanteln
du werdest kanteln
er werde kanteln
wir werden kanteln
ihr werdet kanteln
sie werden kanteln

Toek. volt. aanw.

ich werde gekantelt haben
du werdest gekantelt haben
er werde gekantelt haben
wir werden gekantelt haben
ihr werdet gekantelt haben
sie werden gekantelt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde kanteln
du würdest kanteln
er würde kanteln
wir würden kanteln
ihr würdet kanteln
sie würden kanteln

Verleden cond.

ich würde gekantelt haben
du würdest gekantelt haben
er würde gekantelt haben
wir würden gekantelt haben
ihr würdet gekantelt haben
sie würden gekantelt haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord kanteln


Tegenwoordige tijd

kant(e)l(e)⁵ (du)
kanteln wir
kantelt (ihr)
kanteln Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor kanteln


Infinitief I


kanteln
zu kanteln

Infinitief II


gekantelt haben
gekantelt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


kantelnd

Participle II


gekantelt

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse kanteln


Duits kanteln
Engels bind with blanket stitch, hem, overcast
Russisch обрабатывать
Spaans rematar, sobrehilado
Frans finir, surfilage
Turks dikiş, kenar
Portugees acabamento, borda
Italiaans rifinire
Roemeens finisare, surfilare
Hongaars szegés, éllezés
Pools obrzeża, wykończenie
Grieks περικοπή, τελείωμα
Nederlands afwerken
Tsjechisch obšití
Zweeds sicksacka, sicksömmar
Deens kantning, søm
Japans 布端の処理, 縫い目の処理
Catalaans acabar, rematar
Fins reunustaa, viimeistellä
Noors sikksakk
Baskisch margotzea
Servisch obrubiti, zašiti
Macedonisch обработување
Sloveens obrobiti
Slowaaks obšitie
Bosnisch obrubiti, završiti
Kroatisch obrubiti, zašiti
Oekraïens обробити край
Bulgaars завършване, обшивка
Wit-Russisch абрабіць, абшыць
Indonesisch mengobras
Vietnamees khâu vắt, vắt sổ
Oezbeeks chetlab tikmoq, overlok qilish
Hindi ओवरकास्ट करना, ओवरलॉक करना
Chinees 包缝, 锁边
Thais เย็บโพ้ง, โพ้งริม
Koreaans 감치기하다, 휘갑치다
Azerbeidzjaans overlok etmək, overloklamaq
Georgisch ოვერლოკვა
Bengaals ওভারকাস্ট সেলাই করা, ওভারলক করা
Albanees overlokoj, surfiloj
Marathi ओव्हरकास्ट करणे, ओव्हरलॉक करणे
Nepalees ओभरकास्ट टाँका लगाउनु, ओभरलक गर्नु
Telugu ఓవర్‌కాస్ట్ చేయు, ఓవర్‌లాక్ చేయు
Lets apmetināt
Tamil ஓவர்லாக் செய்ய
Ests äärestama
Armeens օվերլոքել
Koerdisch overlok kirin, sûrfile kirin
Hebreeuwsלְהַשְׁלִים
Arabischتطريز، خياطة
Perzischلبه دوزی
Urduکنارے کو سی کر دینا

kanteln in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van kanteln

  • Naht oder Stoffrand mit Schlingenstich versäubern
  • kanten

kanteln in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord kanteln vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord kanteln


De vervoeging van het werkwoord kanteln wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord kanteln is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (kantelt - kantelte - hat gekantelt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary kanteln en op kanteln in de Duden.

kanteln vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich kant(e)l(e)kanteltekant(e)lekantelte-
du kantelstkanteltestkantelstkanteltestkant(e)l(e)
er kanteltkanteltekant(e)lekantelte-
wir kantelnkanteltenkantelnkanteltenkanteln
ihr kanteltkanteltetkanteltkanteltetkantelt
sie kantelnkanteltenkantelnkanteltenkanteln

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich kant(e)l(e), du kantelst, er kantelt, wir kanteln, ihr kantelt, sie kanteln
  • Onvoltooid verleden tijd: ich kantelte, du kanteltest, er kantelte, wir kantelten, ihr kanteltet, sie kantelten
  • Perfectum: ich habe gekantelt, du hast gekantelt, er hat gekantelt, wir haben gekantelt, ihr habt gekantelt, sie haben gekantelt
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte gekantelt, du hattest gekantelt, er hatte gekantelt, wir hatten gekantelt, ihr hattet gekantelt, sie hatten gekantelt
  • Toekomende tijd I: ich werde kanteln, du wirst kanteln, er wird kanteln, wir werden kanteln, ihr werdet kanteln, sie werden kanteln
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gekantelt haben, du wirst gekantelt haben, er wird gekantelt haben, wir werden gekantelt haben, ihr werdet gekantelt haben, sie werden gekantelt haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich kant(e)le, du kantelst, er kant(e)le, wir kanteln, ihr kantelt, sie kanteln
  • Onvoltooid verleden tijd: ich kantelte, du kanteltest, er kantelte, wir kantelten, ihr kanteltet, sie kantelten
  • Perfectum: ich habe gekantelt, du habest gekantelt, er habe gekantelt, wir haben gekantelt, ihr habet gekantelt, sie haben gekantelt
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte gekantelt, du hättest gekantelt, er hätte gekantelt, wir hätten gekantelt, ihr hättet gekantelt, sie hätten gekantelt
  • Toekomende tijd I: ich werde kanteln, du werdest kanteln, er werde kanteln, wir werden kanteln, ihr werdet kanteln, sie werden kanteln
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gekantelt haben, du werdest gekantelt haben, er werde gekantelt haben, wir werden gekantelt haben, ihr werdet gekantelt haben, sie werden gekantelt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde kanteln, du würdest kanteln, er würde kanteln, wir würden kanteln, ihr würdet kanteln, sie würden kanteln
  • Voltooid verleden tijd: ich würde gekantelt haben, du würdest gekantelt haben, er würde gekantelt haben, wir würden gekantelt haben, ihr würdet gekantelt haben, sie würden gekantelt haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: kant(e)l(e) (du), kanteln wir, kantelt (ihr), kanteln Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: kanteln, zu kanteln
  • Infinitief II: gekantelt haben, gekantelt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: kantelnd
  • Participle II: gekantelt

Opmerkingen



Inloggen