Vervoeging van het Duitse werkwoord kanteln
De vervoeging van het werkwoord kanteln (afwerken) is regelmatig. De basisvormen zijn kantelt, kantelte en hat gekantelt. Het hulpwerkwoord van kanteln is "haben". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord kanteln beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor kanteln. Je kunt niet alleen kanteln vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Opmerkingen ☆
De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van kanteln
Onvoltooid verleden tijd
| ich | kantelte |
| du | kanteltest |
| er | kantelte |
| wir | kantelten |
| ihr | kanteltet |
| sie | kantelten |
⁵ Alleen in informeel taalgebruik
indicatief
Het werkwoord kanteln vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd
Onvoltooid verleden tijd
| ich | kantelte |
| du | kanteltest |
| er | kantelte |
| wir | kantelten |
| ihr | kanteltet |
| sie | kantelten |
Perfectum
| ich | habe | gekantelt |
| du | hast | gekantelt |
| er | hat | gekantelt |
| wir | haben | gekantelt |
| ihr | habt | gekantelt |
| sie | haben | gekantelt |
Volt. verl. tijd
| ich | hatte | gekantelt |
| du | hattest | gekantelt |
| er | hatte | gekantelt |
| wir | hatten | gekantelt |
| ihr | hattet | gekantelt |
| sie | hatten | gekantelt |
Toekomende tijd I
| ich | werde | kanteln |
| du | wirst | kanteln |
| er | wird | kanteln |
| wir | werden | kanteln |
| ihr | werdet | kanteln |
| sie | werden | kanteln |
voltooid tegenwoordige toekomende tijd
| ich | werde | gekantelt | haben |
| du | wirst | gekantelt | haben |
| er | wird | gekantelt | haben |
| wir | werden | gekantelt | haben |
| ihr | werdet | gekantelt | haben |
| sie | werden | gekantelt | haben |
⁵ Alleen in informeel taalgebruik
Conjunctief
De vervoeging van het werkwoord kanteln in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.
Voltooid Konj.
| ich | habe | gekantelt |
| du | habest | gekantelt |
| er | habe | gekantelt |
| wir | haben | gekantelt |
| ihr | habet | gekantelt |
| sie | haben | gekantelt |
Konj. volt. verl. t.
| ich | hätte | gekantelt |
| du | hättest | gekantelt |
| er | hätte | gekantelt |
| wir | hätten | gekantelt |
| ihr | hättet | gekantelt |
| sie | hätten | gekantelt |
Voorwaardelijke wijs II (würde)
Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.
Imperatief
De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord kanteln
⁵ Alleen in informeel taalgebruik
Infinitief/Deelwoord
De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor kanteln
Vertalingen
Vertalingen van het Duitse kanteln
-
kanteln
bind with blanket stitch, hem, overcast
обрабатывать
rematar, sobrehilado
finir, surfilage
dikiş, kenar
acabamento, borda
rifinire
finisare, surfilare
szegés, éllezés
obrzeża, wykończenie
περικοπή, τελείωμα
afwerken
obšití
sicksacka, sicksömmar
kantning, søm
布端の処理, 縫い目の処理
acabar, rematar
reunustaa, viimeistellä
sikksakk
margotzea
obrubiti, zašiti
обработување
obrobiti
obšitie
obrubiti, završiti
obrubiti, zašiti
обробити край
завършване, обшивка
абрабіць, абшыць
mengobras
khâu vắt, vắt sổ
chetlab tikmoq, overlok qilish
ओवरकास्ट करना, ओवरलॉक करना
包缝, 锁边
เย็บโพ้ง, โพ้งริม
감치기하다, 휘갑치다
overlok etmək, overloklamaq
ოვერლოკვა
ওভারকাস্ট সেলাই করা, ওভারলক করা
overlokoj, surfiloj
ओव्हरकास्ट करणे, ओव्हरलॉक करणे
ओभरकास्ट टाँका लगाउनु, ओभरलक गर्नु
ఓవర్కాస్ట్ చేయు, ఓవర్లాక్ చేయు
apmetināt
ஓவர்லாக் செய்ய
äärestama
օվերլոքել
overlok kirin, sûrfile kirin
לְהַשְׁלִים
تطريز، خياطة
لبه دوزی
کنارے کو سی کر دینا
kanteln in dict.cc
Vertalingen
Doe mee
Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.
|
|
Inloggen |
Definities
Betekenissen en synoniemen van kanteln- Naht oder Stoffrand mit Schlingenstich versäubern
- kanten
Betekenissen Synoniemen
Verbuigingsregels
Gedetailleerde regels voor vervoeging
- Vorming van Tegenwoordige tijd van kanteln
- Vorming van Onvoltooid verleden tijd van kanteln
- Vorming van Imperatief van kanteln
- Vorming van Konjunktiv I van kanteln
- Vorming van Konjunktiv II van kanteln
- Vorming van Infinitief van kanteln
- Vorming van Deelwoord van kanteln
- Hoe vervoeg je werkwoorden in het Duits?
Willekeurige werkwoorden
Willekeurige selectie van extra werkwoorden
≡ umrühren
≡ zusammensitzen
≡ aufbinden
≡ strangulieren
≡ verbildlichen
≡ punzieren
≡ entschleimen
≡ besohlen
≡ gramseln
≡ mitmischen
≡ betuppen
≡ notoperieren
≡ verfrachten
≡ adstringieren
≡ anwerben
≡ erwürgen
Woordenboeken
Alle vertaalwoordenboeken
Duitse werkwoord kanteln vervoegen
Overzicht van alle tijden van het werkwoord kanteln
De vervoeging van het werkwoord kanteln wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord kanteln is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (kantelt - kantelte - hat gekantelt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary kanteln en op kanteln in de Duden.
kanteln vervoeging
| Tegenwoordige tijd | Onvoltooid verleden tijd | Conjunctief I | Conjunctief II | Imperatief | |
|---|---|---|---|---|---|
| ich | kant(e)l(e) | kantelte | kant(e)le | kantelte | - |
| du | kantelst | kanteltest | kantelst | kanteltest | kant(e)l(e) |
| er | kantelt | kantelte | kant(e)le | kantelte | - |
| wir | kanteln | kantelten | kanteln | kantelten | kanteln |
| ihr | kantelt | kanteltet | kantelt | kanteltet | kantelt |
| sie | kanteln | kantelten | kanteln | kantelten | kanteln |
indicatief Actief
- Tegenwoordige tijd: ich kant(e)l(e), du kantelst, er kantelt, wir kanteln, ihr kantelt, sie kanteln
- Onvoltooid verleden tijd: ich kantelte, du kanteltest, er kantelte, wir kantelten, ihr kanteltet, sie kantelten
- Perfectum: ich habe gekantelt, du hast gekantelt, er hat gekantelt, wir haben gekantelt, ihr habt gekantelt, sie haben gekantelt
- Voltooid verleden tijd: ich hatte gekantelt, du hattest gekantelt, er hatte gekantelt, wir hatten gekantelt, ihr hattet gekantelt, sie hatten gekantelt
- Toekomende tijd I: ich werde kanteln, du wirst kanteln, er wird kanteln, wir werden kanteln, ihr werdet kanteln, sie werden kanteln
- voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gekantelt haben, du wirst gekantelt haben, er wird gekantelt haben, wir werden gekantelt haben, ihr werdet gekantelt haben, sie werden gekantelt haben
Conjunctief Actief
- Tegenwoordige tijd: ich kant(e)le, du kantelst, er kant(e)le, wir kanteln, ihr kantelt, sie kanteln
- Onvoltooid verleden tijd: ich kantelte, du kanteltest, er kantelte, wir kantelten, ihr kanteltet, sie kantelten
- Perfectum: ich habe gekantelt, du habest gekantelt, er habe gekantelt, wir haben gekantelt, ihr habet gekantelt, sie haben gekantelt
- Voltooid verleden tijd: ich hätte gekantelt, du hättest gekantelt, er hätte gekantelt, wir hätten gekantelt, ihr hättet gekantelt, sie hätten gekantelt
- Toekomende tijd I: ich werde kanteln, du werdest kanteln, er werde kanteln, wir werden kanteln, ihr werdet kanteln, sie werden kanteln
- voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gekantelt haben, du werdest gekantelt haben, er werde gekantelt haben, wir werden gekantelt haben, ihr werdet gekantelt haben, sie werden gekantelt haben
Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief
- Onvoltooid verleden tijd: ich würde kanteln, du würdest kanteln, er würde kanteln, wir würden kanteln, ihr würdet kanteln, sie würden kanteln
- Voltooid verleden tijd: ich würde gekantelt haben, du würdest gekantelt haben, er würde gekantelt haben, wir würden gekantelt haben, ihr würdet gekantelt haben, sie würden gekantelt haben
Imperatief Actief
- Tegenwoordige tijd: kant(e)l(e) (du), kanteln wir, kantelt (ihr), kanteln Sie
Infinitief/Deelwoord Actief
- Infinitief I: kanteln, zu kanteln
- Infinitief II: gekantelt haben, gekantelt zu haben
- Tegenwoordig deelwoord: kantelnd
- Participle II: gekantelt