Vervoeging van het Duitse werkwoord beleben

De vervoeging van het werkwoord beleben (levend maken, opwekken) is regelmatig. De basisvormen zijn belebt, belebte en hat belebt. Het hulpwerkwoord van beleben is "haben". Het voorvoegsel be- van beleben is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord beleben beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor beleben. Je kunt niet alleen beleben vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

C2 · regelmatig · haben · onlosmakelijk

beleben

belebt · belebte · hat belebt

Engels invigorate, animate, revive, stimulate, act as a tonic, activate, become stimulated, breathe life into, buck up, cheer up, encourage, enliven, freshen, innervate, inspirit, jolly up, light up, liven, liven up, pick one up, quicken, regenerate, spur, staminate, variegate, vitalise, vitalize, vivify

/bəˈleːbən/ · /bəˈleːpt/ · /bəˈleːptə/ · /bəˈleːpt/

jemand, etwas zum Leben erwecken; Schwung in etwas bringen, anregen; reanimieren, auffrischen, bestärken, laben

(sich+A, acc.)

» Konkurrenz belebt das Geschäft. Engels Competition stimulates business.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van beleben

Tegenwoordige tijd

ich beleb(e)⁵
du belebst
er belebt
wir beleben
ihr belebt
sie beleben

Onvoltooid verleden tijd

ich belebte
du belebtest
er belebte
wir belebten
ihr belebtet
sie belebten

Imperatief

-
beleb(e)⁵ (du)
-
beleben wir
belebt (ihr)
beleben Sie

Konjunktief I

ich belebe
du belebest
er belebe
wir beleben
ihr belebet
sie beleben

Konjunktief II

ich belebte
du belebtest
er belebte
wir belebten
ihr belebtet
sie belebten

Infinitief

beleben
zu beleben

Deelwoord

belebend
belebt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord beleben vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich beleb(e)⁵
du belebst
er belebt
wir beleben
ihr belebt
sie beleben

Onvoltooid verleden tijd

ich belebte
du belebtest
er belebte
wir belebten
ihr belebtet
sie belebten

Perfectum

ich habe belebt
du hast belebt
er hat belebt
wir haben belebt
ihr habt belebt
sie haben belebt

Volt. verl. tijd

ich hatte belebt
du hattest belebt
er hatte belebt
wir hatten belebt
ihr hattet belebt
sie hatten belebt

Toekomende tijd I

ich werde beleben
du wirst beleben
er wird beleben
wir werden beleben
ihr werdet beleben
sie werden beleben

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde belebt haben
du wirst belebt haben
er wird belebt haben
wir werden belebt haben
ihr werdet belebt haben
sie werden belebt haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Konkurrenz belebt das Geschäft. 
  • Das frische Quellwasser belebte sie. 
  • Auch ein dürrer Baum belebt die Landschaft. 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord beleben in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich belebe
du belebest
er belebe
wir beleben
ihr belebet
sie beleben

Konjunktief II

ich belebte
du belebtest
er belebte
wir belebten
ihr belebtet
sie belebten

Voltooid Konj.

ich habe belebt
du habest belebt
er habe belebt
wir haben belebt
ihr habet belebt
sie haben belebt

Konj. volt. verl. t.

ich hätte belebt
du hättest belebt
er hätte belebt
wir hätten belebt
ihr hättet belebt
sie hätten belebt

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde beleben
du werdest beleben
er werde beleben
wir werden beleben
ihr werdet beleben
sie werden beleben

Toek. volt. aanw.

ich werde belebt haben
du werdest belebt haben
er werde belebt haben
wir werden belebt haben
ihr werdet belebt haben
sie werden belebt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde beleben
du würdest beleben
er würde beleben
wir würden beleben
ihr würdet beleben
sie würden beleben

Verleden cond.

ich würde belebt haben
du würdest belebt haben
er würde belebt haben
wir würden belebt haben
ihr würdet belebt haben
sie würden belebt haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord beleben


Tegenwoordige tijd

beleb(e)⁵ (du)
beleben wir
belebt (ihr)
beleben Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor beleben


Infinitief I


beleben
zu beleben

Infinitief II


belebt haben
belebt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


belebend

Participle II


belebt

  • Die Straßen sind von Kunden belebt . 
  • Alles zu beleben ist der Zweck des Lebens. 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor beleben


  • Konkurrenz belebt das Geschäft. 
    Engels Competition stimulates business.
  • Das frische Quellwasser belebte sie. 
    Engels The fresh spring water revitalized them.
  • Die Straßen sind von Kunden belebt . 
    Engels The streets are alive with shoppers.
  • Die Universität war belebt aufgrund eines Festes. 
    Engels The university was alive with a festival.
  • Alles zu beleben ist der Zweck des Lebens. 
    Engels The purpose of life is to bring everything to life.
  • Auch ein dürrer Baum belebt die Landschaft. 
    Engels Even a thin tree enlivens the landscape.
  • Nach einer flauen Sommersaison belebte sich das Geschäft. 
    Engels After a slow summer season, business began to pick up.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse beleben


Duits beleben
Engels invigorate, animate, revive, stimulate, act as a tonic, activate, become stimulated, breathe life into
Russisch оживить, оживлять, оживляться, вдохновить, воскресить, животворить, оживать, оживиться
Spaans animar, animarse, avivar, avivarse, cobrar vida, dar vida a, estimular, infundir ánimo a
Frans animer, revitaliser, activer, aviver, ragaillardir, regaillardir, revigorer, s'animer
Turks canlandırmak, harekete geçirmek, hareketlendirmek, hayat vermek
Portugees animar, dar ânimo a, avivar, dar vida a, estimulante, estimular, revitalizar, reviver
Italiaans animare, vivacizzare, vivificare, animarsi, movimentare, ravvivare, ricreare, rinvigorire
Roemeens anima, animare, revitaliza, învia, înviora
Hongaars felélénkít, feléleszt, éleszt, életre kelt
Pools ożywić, ożywiać, działać ożywczo, ożywać, ożyć, przywrócić do życia, wzmocnić, zaludniać zaludnić się
Grieks αναζωογονώ, ενθουσιασμός, ζωηρεύω, ζωντάνια, ζωντανεύω, ζωογονώ, προωθώ
Nederlands levend maken, opwekken, verlevendigen, bevolken, bewonen, doen opleven, opleven, stimuleren
Tsjechisch oživit, oživnout, oživovat, ožít, ožívat, podnítit, vzkřísit
Zweeds vitalisera, animerar, bli livlig, ge liv åt, liva, liva upp, livfulla, livsätta
Deens anrege, blive livlig, give liv nt, livgive, oplive, opmuntre, sætte liv i, vågne op
Japans 活気づける, 刺激する, 生き返らせる
Catalaans animar, revifar
Fins elvyttää, elävöittää, herättää, vilkastuttaa, virkistää
Noors anrege, live opp, livne, livne opp, oppkvikke, vekke
Baskisch biziberritu, animatu, berpiztu, indarberritu, piztu, suspertu
Servisch oživeti, pokrenuti, živeti
Macedonisch анимира, оживеам, оживува, оживување
Sloveens oživiti, spodbujati, živeti
Slowaaks oživiť, podnietiť, vzbudiť
Bosnisch oživjeti, pokrenuti, živjeti
Kroatisch oživjeti, oživljavanje, pokrenuti
Oekraïens оживити, активізувати, оживлення
Bulgaars оживявам, вдъхновявам, възкресявам
Wit-Russisch ажывіць, узбудзіць
Indonesisch menghidupkan, membangkitkan
Vietnamees khích lệ, khơi dậy, làm sống động
Oezbeeks jonlantirmoq, ruhlantirmoq, tiriltirmoq
Hindi उत्तेजित करना, जीवित करना, जोश देना
Chinees 振兴, 活化, 激发
Thais กระตุ้น, ทำให้มีชีวิตชีวา, ฟื้นชีพ
Koreaans 고무하다, 살리다, 활력을 불어넣다
Azerbeidzjaans canlandırmaq, həvəsləndirmək
Georgisch გააქტიურება
Bengaals উজ্জীবিত করা, উত্তেজিত করা, জীবিত করা
Albanees ringjall, inkurajoj
Marathi उत्तेजित करणे, जिवंत करणे, जीवंत बनवणे
Nepalees जीवित बनाउनु, उत्तेजित गर्नु
Telugu ప్రాణం పెట్టడం, ప్రేరేపించడం
Lets atdzīvināt, iedvesmot
Tamil உயிராக்கு, உற்சாகப்படுத்து
Ests elavdama, elustada, ergutama
Armeens զարթեցնել, կենացնել, ստիմուլացնել
Koerdisch enerjî dayîn, stimulekirin, zindî kirin
Hebreeuwsלהחיות، להחיות משהו، להמריץ
Arabischإحياء، أحيا، أنعش، تنشيط، نشط
Perzischزنده کردن، احیا کردن، تحریک کردن
Urduتحریک دینا، جلا دینا، زندگی دینا، زندہ کرنا

beleben in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van beleben

  • jemand, etwas zum Leben erwecken, reanimieren
  • Schwung in etwas bringen, anregen
  • lebhafter werden,, auffrischen, bestärken, laben, bekräftigen

beleben in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord beleben vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord beleben


De vervoeging van het werkwoord beleben wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord beleben is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (belebt - belebte - hat belebt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary beleben en op beleben in de Duden.

beleben vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich beleb(e)belebtebelebebelebte-
du belebstbelebtestbelebestbelebtestbeleb(e)
er belebtbelebtebelebebelebte-
wir belebenbelebtenbelebenbelebtenbeleben
ihr belebtbelebtetbelebetbelebtetbelebt
sie belebenbelebtenbelebenbelebtenbeleben

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich beleb(e), du belebst, er belebt, wir beleben, ihr belebt, sie beleben
  • Onvoltooid verleden tijd: ich belebte, du belebtest, er belebte, wir belebten, ihr belebtet, sie belebten
  • Perfectum: ich habe belebt, du hast belebt, er hat belebt, wir haben belebt, ihr habt belebt, sie haben belebt
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte belebt, du hattest belebt, er hatte belebt, wir hatten belebt, ihr hattet belebt, sie hatten belebt
  • Toekomende tijd I: ich werde beleben, du wirst beleben, er wird beleben, wir werden beleben, ihr werdet beleben, sie werden beleben
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde belebt haben, du wirst belebt haben, er wird belebt haben, wir werden belebt haben, ihr werdet belebt haben, sie werden belebt haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich belebe, du belebest, er belebe, wir beleben, ihr belebet, sie beleben
  • Onvoltooid verleden tijd: ich belebte, du belebtest, er belebte, wir belebten, ihr belebtet, sie belebten
  • Perfectum: ich habe belebt, du habest belebt, er habe belebt, wir haben belebt, ihr habet belebt, sie haben belebt
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte belebt, du hättest belebt, er hätte belebt, wir hätten belebt, ihr hättet belebt, sie hätten belebt
  • Toekomende tijd I: ich werde beleben, du werdest beleben, er werde beleben, wir werden beleben, ihr werdet beleben, sie werden beleben
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde belebt haben, du werdest belebt haben, er werde belebt haben, wir werden belebt haben, ihr werdet belebt haben, sie werden belebt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde beleben, du würdest beleben, er würde beleben, wir würden beleben, ihr würdet beleben, sie würden beleben
  • Voltooid verleden tijd: ich würde belebt haben, du würdest belebt haben, er würde belebt haben, wir würden belebt haben, ihr würdet belebt haben, sie würden belebt haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: beleb(e) (du), beleben wir, belebt (ihr), beleben Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: beleben, zu beleben
  • Infinitief II: belebt haben, belebt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: belebend
  • Participle II: belebt

Opmerkingen



Inloggen

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: beleben

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 62821, 62821

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 4849317, 5096689, 1499669, 3897051, 1951234, 841424

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 62821