Vervoeging van het Duitse werkwoord backen

De vervoeging van het werkwoord backen (bakken, gebakken vis) is regelmatig. De basisvormen zijn backt, backte en hat gebacken/gebackt. Daarnaast is er ook de onregelmatige vervoeging. Het hulpwerkwoord van backen is "haben". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord backen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor backen. Je kunt niet alleen backen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau A2. Opmerkingen

regelmatig
backen
onregelmatig
backen
Video 

A2 · regelmatig · onregelmatig voltooid deelwoord · haben

backen

backt · backte · hat gebacken/gebackt

Engels bake, fry, stick, adhere, baked fish, cake, cure

/ˈbakən/ · /ˈbakt/ · /ˈbak.tə/ · /ɡəˈbakən/

[…, Kochen] im Ofen erhitzen; gebackener Fisch; braten, dörren, pappen

(acc., an+D)

» Tom backte Brot. Engels Tom baked bread.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van backen

Tegenwoordige tijd

ich back(e)⁵
du backst
er backt
wir backen
ihr backt
sie backen

Onvoltooid verleden tijd

ich backte
du backtest
er backte
wir backten
ihr backtet
sie backten

Imperatief

-
back(e)⁵ (du)
-
backen wir
backt (ihr)
backen Sie

Konjunktief I

ich backe
du backest
er backe
wir backen
ihr backet
sie backen

Konjunktief II

ich backte
du backtest
er backte
wir backten
ihr backtet
sie backten

Infinitief

backen
zu backen

Deelwoord

backend
gebacken/gebackt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord backen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich back(e)⁵
du backst
er backt
wir backen
ihr backt
sie backen

Onvoltooid verleden tijd

ich backte
du backtest
er backte
wir backten
ihr backtet
sie backten

Perfectum

ich habe gebacken/gebackt
du hast gebacken/gebackt
er hat gebacken/gebackt
wir haben gebacken/gebackt
ihr habt gebacken/gebackt
sie haben gebacken/gebackt

Volt. verl. tijd

ich hatte gebacken/gebackt
du hattest gebacken/gebackt
er hatte gebacken/gebackt
wir hatten gebacken/gebackt
ihr hattet gebacken/gebackt
sie hatten gebacken/gebackt

Toekomende tijd I

ich werde backen
du wirst backen
er wird backen
wir werden backen
ihr werdet backen
sie werden backen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde gebacken/gebackt haben
du wirst gebacken/gebackt haben
er wird gebacken/gebackt haben
wir werden gebacken/gebackt haben
ihr werdet gebacken/gebackt haben
sie werden gebacken/gebackt haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Tom backte Brot. 
  • Sie backte drei Kuchen. 
  • Sie backten mir einen Kuchen. 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord backen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich backe
du backest
er backe
wir backen
ihr backet
sie backen

Konjunktief II

ich backte
du backtest
er backte
wir backten
ihr backtet
sie backten

Voltooid Konj.

ich habe gebacken/gebackt
du habest gebacken/gebackt
er habe gebacken/gebackt
wir haben gebacken/gebackt
ihr habet gebacken/gebackt
sie haben gebacken/gebackt

Konj. volt. verl. t.

ich hätte gebacken/gebackt
du hättest gebacken/gebackt
er hätte gebacken/gebackt
wir hätten gebacken/gebackt
ihr hättet gebacken/gebackt
sie hätten gebacken/gebackt

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde backen
du werdest backen
er werde backen
wir werden backen
ihr werdet backen
sie werden backen

Toek. volt. aanw.

ich werde gebacken/gebackt haben
du werdest gebacken/gebackt haben
er werde gebacken/gebackt haben
wir werden gebacken/gebackt haben
ihr werdet gebacken/gebackt haben
sie werden gebacken/gebackt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde backen
du würdest backen
er würde backen
wir würden backen
ihr würdet backen
sie würden backen

Verleden cond.

ich würde gebacken/gebackt haben
du würdest gebacken/gebackt haben
er würde gebacken/gebackt haben
wir würden gebacken/gebackt haben
ihr würdet gebacken/gebackt haben
sie würden gebacken/gebackt haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord backen


Tegenwoordige tijd

back(e)⁵ (du)
backen wir
backt (ihr)
backen Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor backen


Infinitief I


backen
zu backen

Infinitief II


gebacken/gebackt haben
gebacken/gebackt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


backend

Participle II


gebacken/gebackt

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor backen


  • Tom backte Brot. 
    Engels Tom baked bread.
  • Sie backte drei Kuchen. 
    Engels She baked three cakes.
  • Sie backten mir einen Kuchen. 
    Engels They baked me a cake.
  • Maria backte einen Apfelkuchen. 
    Engels Mary baked an apple pie.
  • Er backte sich ein leckeres Früchtebrot. 
    Engels He baked himself a delicious fruit bread.
  • Maria backte Kekse für ihre Lehrerin. 
    Engels Mary baked her teacher some cookies.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse backen


Duits backen
Engels bake, fry, stick, adhere, baked fish, cake, cure
Russisch печь, выпекать, жарить, выпечь, печься, запекать, запечь, испечь
Spaans hornear, cocer, pegar, adhesión, cocinar, freír, hacer, hacer repostería
Frans cuire, coller, frire, adhérer, faire, faire cuire, faire du pain, faire frire
Turks pişirmek, fırında pişirmek, kızartmak, pişirilmiş balık, yapışmak, yapıştırmak
Portugees assar, cozer, aderir, colar, cozinhar, fazer, fritar, ir ao forno
Italiaans cuocere, friggere, cuocere al forno, incollare, attaccare, cuocere in forno, cuocere in padella, cuocere nel forno
Roemeens coace, lipi, pește copt, prăji, se lipi
Hongaars sütni, megsüt, ragaszt, sült hal, süt, összetapad
Pools piec, upiec, piec się, pieczona ryba, przyklejać, przylegać, smażyć, upiec się
Grieks ψήνω, κολλώ, τηγανίζω, φτιάχνω, ψητός ψάρι
Nederlands bakken, gebakken vis, hechten, plakken
Tsjechisch péct, lepit, pečená ryba, péci, přilepit, smažit, sušit, upéct
Zweeds baka, fästa, grädda, klibba, bakad fisk, fastna, gräddas, stek
Deens bage, bagt fisk, klæbe, stege
Japans 焼く, くっつく, パンを焼く, フライパンで焼く, 焼き魚, 焼ける, 貼る
Catalaans adherir, assecar, conservar, coure, enfornar, enganxar, fornejar, fregir
Fins paistaa, leipoa, liimata, paistettu kala, tarttua
Noors bake, bakt fisk, hefte sammen, klistre, steke
Baskisch labean berotu, frijitu, itsatsi, labean egindako arraina, labean egosi
Servisch peći, lepljenje, pečena riba, prianjanje, pržiti
Macedonisch печи, лепи, пече, печен риба, печење, пријава
Sloveens peči, lepljati, pečenka, prilepiti
Slowaaks piecť, lepiť, pečená ryba, prilepiť, smažiť
Bosnisch peći, lijepiti, pečena riba, priključiti, pržiti
Kroatisch peći, lijepljenje, pečena riba, prianjanje, pržiti
Oekraïens пекти, випікати, клеїти, липнути, смажити, спекти
Bulgaars печене, залепвам, изпичане, лепя, пека, печена риба, пържа
Wit-Russisch выпякаць, запечаная рыба, клеіць, прымацаваць, пячы, пячь, смажыць
Indonesisch memanggang, ikan panggang, membakar, menempel, menggoreng
Vietnamees nướng, chiên, cá nướng, dính
Oezbeeks pishirmoq, pishirilgan baliq, qovurmoq, yopishmoq
Hindi बेक करना, चिपकना, चिपकाना, तलना, बेक्ड मछली, सेंकना
Chinees 烘焙, 烘烤, 烤, 烤鱼, 煎, 粘
Thais อบ, ติด, ทอด, ปลาอบ
Koreaans 굽다, 구운 생선, 볶다, 붙다, 붙이다
Azerbeidzjaans bişirmək, bişirmek, bişmiş balıq, qızartmaq, yapışmaq
Georgisch აცხობა, ბეკება, გამოშრობა, გაშრობა, დამაგრება, შებრაწვა
Bengaals বেক করা, চিপকে থাকা, বেকড মাছ, ভাজা, সেঁকা
Albanees pjek, ngjit, peshk i pjekur, skuq
Marathi बेक करणे, चिपकणे, चिपकवणे, तळणे, बेक्ड मासा
Nepalees बेक गर्नु, चिप्किनु, तल्नु, बेक्ड माछा, सेक्नु
Telugu బేక్ చేయడం, ఒట్టడం, కాల్చడం, బేక్ చేసిన చేప, వేపించడం
Lets cept, apcept, cepeškrāsnī cepta zivs, pielīties
Tamil ஒட்டுதல், பெக் செய்க, பெக் செய்யப்பட்ட மீன், பேக், பேக் செய்தல், பொரிக்க
Ests küpsetama, kleepuma, küpsetatud kala, praadida
Armeens թխել, խաշել, կպչել, պաքած ձուկ, տապակել
Koerdisch firinlemek, masî firında, pisirmek, poxtin, qovurîn, têkildar bûn
Hebreeuwsלאפות، אפות، דבק، דג אפוי، לטגן
Arabischخبز، التصاق، سمك مخبوز، قلى، قلي، لصق، يخبز، يسوي
Perzischپختن، درفرپختن، سرخ کردن، ماهی پخته، چسبیدن
Urduبیک کرنا، پکانا، ایک دوسرے سے چپکنا، بھوننا، پکایا ہوا مچھلی، چپکنا

backen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van backen

  • [Kochen] im Ofen erhitzen, gebackener Fisch, braten
  • [Kochen] im Ofen erhitzt werden
  • durch Ofenhitze trocken und haltbar machen, dörren
  • in der Pfanne in Fett braten, braten
  • entstehen, werden, schaffen

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor backen


  • jemand/etwas backt an etwas

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord backen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord backen


De vervoeging van het werkwoord backen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord backen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (backt - backte - hat gebacken/gebackt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary backen en op backen in de Duden.

backen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich back(e)backtebackebackte-
du backstbacktestbackestbacktestback(e)
er backtbacktebackebackte-
wir backenbacktenbackenbacktenbacken
ihr backtbacktetbacketbacktetbackt
sie backenbacktenbackenbacktenbacken

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich back(e), du backst, er backt, wir backen, ihr backt, sie backen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich backte, du backtest, er backte, wir backten, ihr backtet, sie backten
  • Perfectum: ich habe gebacken/gebackt, du hast gebacken/gebackt, er hat gebacken/gebackt, wir haben gebacken/gebackt, ihr habt gebacken/gebackt, sie haben gebacken/gebackt
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte gebacken/gebackt, du hattest gebacken/gebackt, er hatte gebacken/gebackt, wir hatten gebacken/gebackt, ihr hattet gebacken/gebackt, sie hatten gebacken/gebackt
  • Toekomende tijd I: ich werde backen, du wirst backen, er wird backen, wir werden backen, ihr werdet backen, sie werden backen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gebacken/gebackt haben, du wirst gebacken/gebackt haben, er wird gebacken/gebackt haben, wir werden gebacken/gebackt haben, ihr werdet gebacken/gebackt haben, sie werden gebacken/gebackt haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich backe, du backest, er backe, wir backen, ihr backet, sie backen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich backte, du backtest, er backte, wir backten, ihr backtet, sie backten
  • Perfectum: ich habe gebacken/gebackt, du habest gebacken/gebackt, er habe gebacken/gebackt, wir haben gebacken/gebackt, ihr habet gebacken/gebackt, sie haben gebacken/gebackt
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte gebacken/gebackt, du hättest gebacken/gebackt, er hätte gebacken/gebackt, wir hätten gebacken/gebackt, ihr hättet gebacken/gebackt, sie hätten gebacken/gebackt
  • Toekomende tijd I: ich werde backen, du werdest backen, er werde backen, wir werden backen, ihr werdet backen, sie werden backen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gebacken/gebackt haben, du werdest gebacken/gebackt haben, er werde gebacken/gebackt haben, wir werden gebacken/gebackt haben, ihr werdet gebacken/gebackt haben, sie werden gebacken/gebackt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde backen, du würdest backen, er würde backen, wir würden backen, ihr würdet backen, sie würden backen
  • Voltooid verleden tijd: ich würde gebacken/gebackt haben, du würdest gebacken/gebackt haben, er würde gebacken/gebackt haben, wir würden gebacken/gebackt haben, ihr würdet gebacken/gebackt haben, sie würden gebacken/gebackt haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: back(e) (du), backen wir, backt (ihr), backen Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: backen, zu backen
  • Infinitief II: gebacken/gebackt haben, gebacken/gebackt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: backend
  • Participle II: gebacken/gebackt

Opmerkingen



Inloggen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 10139, 10139, 10139, 10139, 10139, 10139

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 4019147, 787500, 5990043, 8948209, 8964855

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 247446