Vervoeging van het Duitse werkwoord backen
De vervoeging van het werkwoord backen (bakken, gebakken vis) is regelmatig. De basisvormen zijn backt, backte en hat gebacken/gebackt. Daarnaast is er ook de onregelmatige vervoeging. Het hulpwerkwoord van backen is "haben". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord backen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor backen. Je kunt niet alleen backen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau A2. Opmerkingen ☆
De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van backen
⁵ Alleen in informeel taalgebruik
indicatief
Het werkwoord backen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd
Perfectum
| ich | habe | gebacken/gebackt |
| du | hast | gebacken/gebackt |
| er | hat | gebacken/gebackt |
| wir | haben | gebacken/gebackt |
| ihr | habt | gebacken/gebackt |
| sie | haben | gebacken/gebackt |
Volt. verl. tijd
| ich | hatte | gebacken/gebackt |
| du | hattest | gebacken/gebackt |
| er | hatte | gebacken/gebackt |
| wir | hatten | gebacken/gebackt |
| ihr | hattet | gebacken/gebackt |
| sie | hatten | gebacken/gebackt |
Toekomende tijd I
| ich | werde | backen |
| du | wirst | backen |
| er | wird | backen |
| wir | werden | backen |
| ihr | werdet | backen |
| sie | werden | backen |
voltooid tegenwoordige toekomende tijd
| ich | werde | gebacken/gebackt | haben |
| du | wirst | gebacken/gebackt | haben |
| er | wird | gebacken/gebackt | haben |
| wir | werden | gebacken/gebackt | haben |
| ihr | werdet | gebacken/gebackt | haben |
| sie | werden | gebacken/gebackt | haben |
⁵ Alleen in informeel taalgebruik
Conjunctief
De vervoeging van het werkwoord backen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.
Voltooid Konj.
| ich | habe | gebacken/gebackt |
| du | habest | gebacken/gebackt |
| er | habe | gebacken/gebackt |
| wir | haben | gebacken/gebackt |
| ihr | habet | gebacken/gebackt |
| sie | haben | gebacken/gebackt |
Konj. volt. verl. t.
| ich | hätte | gebacken/gebackt |
| du | hättest | gebacken/gebackt |
| er | hätte | gebacken/gebackt |
| wir | hätten | gebacken/gebackt |
| ihr | hättet | gebacken/gebackt |
| sie | hätten | gebacken/gebackt |
Voorwaardelijke wijs II (würde)
Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.
Imperatief
De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord backen
Infinitief/Deelwoord
De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor backen
Voorbeelden
Voorbeeldzinnen voor backen
-
Tom
backte
Brot.
Tom baked bread.
-
Sie
backte
drei Kuchen.
She baked three cakes.
-
Sie
backten
mir einen Kuchen.
They baked me a cake.
-
Maria
backte
einen Apfelkuchen.
Mary baked an apple pie.
-
Er
backte
sich ein leckeres Früchtebrot.
He baked himself a delicious fruit bread.
-
Maria
backte
Kekse für ihre Lehrerin.
Mary baked her teacher some cookies.
Voorbeelden
Vertalingen
Vertalingen van het Duitse backen
-
backen
bake, fry, stick, adhere, baked fish, cake, cure
печь, выпекать, жарить, выпечь, печься, запекать, запечь, испечь
hornear, cocer, pegar, adhesión, cocinar, freír, hacer, hacer repostería
cuire, coller, frire, adhérer, faire, faire cuire, faire du pain, faire frire
pişirmek, fırında pişirmek, kızartmak, pişirilmiş balık, yapışmak, yapıştırmak
assar, cozer, aderir, colar, cozinhar, fazer, fritar, ir ao forno
cuocere, friggere, cuocere al forno, incollare, attaccare, cuocere in forno, cuocere in padella, cuocere nel forno
coace, lipi, pește copt, prăji, se lipi
sütni, megsüt, ragaszt, sült hal, süt, összetapad
piec, upiec, piec się, pieczona ryba, przyklejać, przylegać, smażyć, upiec się
ψήνω, κολλώ, τηγανίζω, φτιάχνω, ψητός ψάρι
bakken, gebakken vis, hechten, plakken
péct, lepit, pečená ryba, péci, přilepit, smažit, sušit, upéct
baka, fästa, grädda, klibba, bakad fisk, fastna, gräddas, stek
bage, bagt fisk, klæbe, stege
焼く, くっつく, パンを焼く, フライパンで焼く, 焼き魚, 焼ける, 貼る
adherir, assecar, conservar, coure, enfornar, enganxar, fornejar, fregir
paistaa, leipoa, liimata, paistettu kala, tarttua
bake, bakt fisk, hefte sammen, klistre, steke
labean berotu, frijitu, itsatsi, labean egindako arraina, labean egosi
peći, lepljenje, pečena riba, prianjanje, pržiti
печи, лепи, пече, печен риба, печење, пријава
peči, lepljati, pečenka, prilepiti
piecť, lepiť, pečená ryba, prilepiť, smažiť
peći, lijepiti, pečena riba, priključiti, pržiti
peći, lijepljenje, pečena riba, prianjanje, pržiti
пекти, випікати, клеїти, липнути, смажити, спекти
печене, залепвам, изпичане, лепя, пека, печена риба, пържа
выпякаць, запечаная рыба, клеіць, прымацаваць, пячы, пячь, смажыць
memanggang, ikan panggang, membakar, menempel, menggoreng
nướng, chiên, cá nướng, dính
pishirmoq, pishirilgan baliq, qovurmoq, yopishmoq
बेक करना, चिपकना, चिपकाना, तलना, बेक्ड मछली, सेंकना
烘焙, 烘烤, 烤, 烤鱼, 煎, 粘
อบ, ติด, ทอด, ปลาอบ
굽다, 구운 생선, 볶다, 붙다, 붙이다
bişirmək, bişirmek, bişmiş balıq, qızartmaq, yapışmaq
აცხობა, ბეკება, გამოშრობა, გაშრობა, დამაგრება, შებრაწვა
বেক করা, চিপকে থাকা, বেকড মাছ, ভাজা, সেঁকা
pjek, ngjit, peshk i pjekur, skuq
बेक करणे, चिपकणे, चिपकवणे, तळणे, बेक्ड मासा
बेक गर्नु, चिप्किनु, तल्नु, बेक्ड माछा, सेक्नु
బేక్ చేయడం, ఒట్టడం, కాల్చడం, బేక్ చేసిన చేప, వేపించడం
cept, apcept, cepeškrāsnī cepta zivs, pielīties
ஒட்டுதல், பெக் செய்க, பெக் செய்யப்பட்ட மீன், பேக், பேக் செய்தல், பொரிக்க
küpsetama, kleepuma, küpsetatud kala, praadida
թխել, խաշել, կպչել, պաքած ձուկ, տապակել
firinlemek, masî firında, pisirmek, poxtin, qovurîn, têkildar bûn
לאפות، אפות، דבק، דג אפוי، לטגן
خبز، التصاق، سمك مخبوز، قلى، قلي، لصق، يخبز، يسوي
پختن، درفرپختن، سرخ کردن، ماهی پخته، چسبیدن
بیک کرنا، پکانا، ایک دوسرے سے چپکنا، بھوننا، پکایا ہوا مچھلی، چپکنا
backen in dict.cc
Vertalingen
Doe mee
Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.
|
|
Inloggen |
Definities
Betekenissen en synoniemen van backen- [Kochen] im Ofen erhitzen, gebackener Fisch, braten
- [Kochen] im Ofen erhitzt werden
- durch Ofenhitze trocken und haltbar machen, dörren
- in der Pfanne in Fett braten, braten
- entstehen, werden, schaffen
Betekenissen Synoniemen
Voorzetsels
Voorzetsels voor backen
Verbuigingsregels
Gedetailleerde regels voor vervoeging
- Vorming van Tegenwoordige tijd van backen
- Vorming van Onvoltooid verleden tijd van backen
- Vorming van Imperatief van backen
- Vorming van Konjunktiv I van backen
- Vorming van Konjunktiv II van backen
- Vorming van Infinitief van backen
- Vorming van Deelwoord van backen
- Hoe vervoeg je werkwoorden in het Duits?
Afleidingen
Afgeleide vormen van backen
≡ überbacken
≡ festbacken
≡ anbacken
≡ aufbacken
≡ durchbacken
≡ abbacken
≡ verbacken
≡ einbacken
≡ ausbacken
Woordenboeken
Alle vertaalwoordenboeken
Duitse werkwoord backen vervoegen
Overzicht van alle tijden van het werkwoord backen
De vervoeging van het werkwoord backen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord backen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (backt - backte - hat gebacken/gebackt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary backen en op backen in de Duden.
backen vervoeging
| Tegenwoordige tijd | Onvoltooid verleden tijd | Conjunctief I | Conjunctief II | Imperatief | |
|---|---|---|---|---|---|
| ich | back(e) | backte | backe | backte | - |
| du | backst | backtest | backest | backtest | back(e) |
| er | backt | backte | backe | backte | - |
| wir | backen | backten | backen | backten | backen |
| ihr | backt | backtet | backet | backtet | backt |
| sie | backen | backten | backen | backten | backen |
indicatief Actief
- Tegenwoordige tijd: ich back(e), du backst, er backt, wir backen, ihr backt, sie backen
- Onvoltooid verleden tijd: ich backte, du backtest, er backte, wir backten, ihr backtet, sie backten
- Perfectum: ich habe gebacken/gebackt, du hast gebacken/gebackt, er hat gebacken/gebackt, wir haben gebacken/gebackt, ihr habt gebacken/gebackt, sie haben gebacken/gebackt
- Voltooid verleden tijd: ich hatte gebacken/gebackt, du hattest gebacken/gebackt, er hatte gebacken/gebackt, wir hatten gebacken/gebackt, ihr hattet gebacken/gebackt, sie hatten gebacken/gebackt
- Toekomende tijd I: ich werde backen, du wirst backen, er wird backen, wir werden backen, ihr werdet backen, sie werden backen
- voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gebacken/gebackt haben, du wirst gebacken/gebackt haben, er wird gebacken/gebackt haben, wir werden gebacken/gebackt haben, ihr werdet gebacken/gebackt haben, sie werden gebacken/gebackt haben
Conjunctief Actief
- Tegenwoordige tijd: ich backe, du backest, er backe, wir backen, ihr backet, sie backen
- Onvoltooid verleden tijd: ich backte, du backtest, er backte, wir backten, ihr backtet, sie backten
- Perfectum: ich habe gebacken/gebackt, du habest gebacken/gebackt, er habe gebacken/gebackt, wir haben gebacken/gebackt, ihr habet gebacken/gebackt, sie haben gebacken/gebackt
- Voltooid verleden tijd: ich hätte gebacken/gebackt, du hättest gebacken/gebackt, er hätte gebacken/gebackt, wir hätten gebacken/gebackt, ihr hättet gebacken/gebackt, sie hätten gebacken/gebackt
- Toekomende tijd I: ich werde backen, du werdest backen, er werde backen, wir werden backen, ihr werdet backen, sie werden backen
- voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gebacken/gebackt haben, du werdest gebacken/gebackt haben, er werde gebacken/gebackt haben, wir werden gebacken/gebackt haben, ihr werdet gebacken/gebackt haben, sie werden gebacken/gebackt haben
Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief
- Onvoltooid verleden tijd: ich würde backen, du würdest backen, er würde backen, wir würden backen, ihr würdet backen, sie würden backen
- Voltooid verleden tijd: ich würde gebacken/gebackt haben, du würdest gebacken/gebackt haben, er würde gebacken/gebackt haben, wir würden gebacken/gebackt haben, ihr würdet gebacken/gebackt haben, sie würden gebacken/gebackt haben
Imperatief Actief
- Tegenwoordige tijd: back(e) (du), backen wir, backt (ihr), backen Sie
Infinitief/Deelwoord Actief
- Infinitief I: backen, zu backen
- Infinitief II: gebacken/gebackt haben, gebacken/gebackt zu haben
- Tegenwoordig deelwoord: backend
- Participle II: gebacken/gebackt