Vervoeging van het Duitse werkwoord abbiegen (hat) ⟨statief passief⟩

De vervoeging van het werkwoord abbiegen (afbuigen, afwijken) is onregelmatig. De basisvormen zijn ist abgebogen, war abgebogen en ist abgebogen gewesen. De ablaut vindt plaats met de stamklinkers ie - o - o. Het hulpwerkwoord van abbiegen is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De eerste lettergreep ab- van abbiegen is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het statief passief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord abbiegen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor abbiegen. Je kunt niet alleen abbiegen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau B1. Opmerkingen

sein
ab·gebogen sein
haben
ab·gebogen sein
Video 

B1 · onregelmatig · haben · scheidbaar

ab·gebogen sein

ist abgebogen · war abgebogen · ist abgebogen gewesen

 Verandering van de stamklinker  ie - o - o 

Engels bend, bend off, curve, turn

/ˈapbiːɡn̩/ · /ˈbiːkt ap/ · /boːk ap/ · /ˈbøːɡə ap/ · /ˈapɡəˈboːɡn̩/

die Form eines Gegenstandes bogenartig verändern; abknicken, vermeiden, formen, verhindern, knicken

(acc., nach+D)

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van abbiegen (hat)

Tegenwoordige tijd

ich bin abgebogen
du bist abgebogen
er ist abgebogen
wir sind abgebogen
ihr seid abgebogen
sie sind abgebogen

Onvoltooid verleden tijd

ich war abgebogen
du warst abgebogen
er war abgebogen
wir waren abgebogen
ihr wart abgebogen
sie waren abgebogen

Imperatief

-
sei (du) abgebogen
-
seien wir abgebogen
seid (ihr) abgebogen
seien Sie abgebogen

Konjunktief I

ich sei abgebogen
du seiest abgebogen
er sei abgebogen
wir seien abgebogen
ihr seiet abgebogen
sie seien abgebogen

Konjunktief II

ich wäre abgebogen
du wärest abgebogen
er wäre abgebogen
wir wären abgebogen
ihr wäret abgebogen
sie wären abgebogen

Infinitief

abgebogen sein
abgebogen zu sein

Deelwoord

abgebogen seiend
abgebogen gewesen

indicatief

Het werkwoord abbiegen (hat) vervoegd in de aantonende wijs statief passief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich bin abgebogen
du bist abgebogen
er ist abgebogen
wir sind abgebogen
ihr seid abgebogen
sie sind abgebogen

Onvoltooid verleden tijd

ich war abgebogen
du warst abgebogen
er war abgebogen
wir waren abgebogen
ihr wart abgebogen
sie waren abgebogen

Perfectum

ich bin abgebogen gewesen
du bist abgebogen gewesen
er ist abgebogen gewesen
wir sind abgebogen gewesen
ihr seid abgebogen gewesen
sie sind abgebogen gewesen

Volt. verl. tijd

ich war abgebogen gewesen
du warst abgebogen gewesen
er war abgebogen gewesen
wir waren abgebogen gewesen
ihr wart abgebogen gewesen
sie waren abgebogen gewesen

Toekomende tijd I

ich werde abgebogen sein
du wirst abgebogen sein
er wird abgebogen sein
wir werden abgebogen sein
ihr werdet abgebogen sein
sie werden abgebogen sein

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde abgebogen gewesen sein
du wirst abgebogen gewesen sein
er wird abgebogen gewesen sein
wir werden abgebogen gewesen sein
ihr werdet abgebogen gewesen sein
sie werden abgebogen gewesen sein

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord abbiegen (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich sei abgebogen
du seiest abgebogen
er sei abgebogen
wir seien abgebogen
ihr seiet abgebogen
sie seien abgebogen

Konjunktief II

ich wäre abgebogen
du wärest abgebogen
er wäre abgebogen
wir wären abgebogen
ihr wäret abgebogen
sie wären abgebogen

Voltooid Konj.

ich sei abgebogen gewesen
du seiest abgebogen gewesen
er sei abgebogen gewesen
wir seien abgebogen gewesen
ihr seiet abgebogen gewesen
sie seien abgebogen gewesen

Konj. volt. verl. t.

ich wäre abgebogen gewesen
du wärest abgebogen gewesen
er wäre abgebogen gewesen
wir wären abgebogen gewesen
ihr wäret abgebogen gewesen
sie wären abgebogen gewesen

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde abgebogen sein
du werdest abgebogen sein
er werde abgebogen sein
wir werden abgebogen sein
ihr werdet abgebogen sein
sie werden abgebogen sein

Toek. volt. aanw.

ich werde abgebogen gewesen sein
du werdest abgebogen gewesen sein
er werde abgebogen gewesen sein
wir werden abgebogen gewesen sein
ihr werdet abgebogen gewesen sein
sie werden abgebogen gewesen sein

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde abgebogen sein
du würdest abgebogen sein
er würde abgebogen sein
wir würden abgebogen sein
ihr würdet abgebogen sein
sie würden abgebogen sein

Verleden cond.

ich würde abgebogen gewesen sein
du würdest abgebogen gewesen sein
er würde abgebogen gewesen sein
wir würden abgebogen gewesen sein
ihr würdet abgebogen gewesen sein
sie würden abgebogen gewesen sein

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs statief passief tegenwoordige tijd voor het werkwoord abbiegen (hat)


Tegenwoordige tijd

sei (du) abgebogen
seien wir abgebogen
seid (ihr) abgebogen
seien Sie abgebogen

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in statief passief voor abbiegen (hat)


Infinitief I


abgebogen sein
abgebogen zu sein

Infinitief II


abgebogen gewesen sein
abgebogen gewesen zu sein

Tegenwoordig deelwoord


abgebogen seiend

Participle II


abgebogen gewesen

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse abbiegen (hat)


Duits abbiegen (hat)
Engels bend, bend off, curve, turn
Russisch поворачивать, изгибаться, повернуть, погнуть, загибать, изменить, изменять, отвести
Spaans curvar, doblar, girar, torcer a, evitar, plegar
Frans courber, plier, recourber, détourner
Turks dönmek, eğmek, sapmak
Portugees curvar, dobrar, evitar
Italiaans curvare, piegare, flettere, incurvare, piegare verso, sventare
Roemeens se curba, se îndoi
Hongaars fordul, kanyarodik
Pools skręcać, odginać, odgiąć, skręcić, zakręcać, zginać, zgiąć
Grieks αποτρέπω, γυρίζω, λυγίζω, στρίβω
Nederlands afbuigen, afwijken, buigen, krommen, verhinderen, verijdelen
Tsjechisch ohýbat, zahnout, zakřivit
Zweeds böja, böja ut, kröka, svänga
Deens bøje, bøje løs
Japans 曲げる, 曲がる
Catalaans corbar, doblar, doblegar
Fins kaatua, kääntyä, taittaa
Noors bøye, bøye til side, svinge
Baskisch bihurtu, kurbatzea
Servisch skrenuti, zavrnuti, скренути
Macedonisch завивам, свивам
Sloveens ukriviti, zaviti
Slowaaks ohnúť, ohýbať, zahnúť, zahýnať, zohnúť
Bosnisch skrenuti, zavrnuti
Kroatisch skrenuti, zavrnuti
Oekraïens згинати, кривити
Bulgaars завивам, изкривявам
Wit-Russisch згнуць, згортваць
Indonesisch melengkungkan, membengkokkan
Vietnamees bẻ cong, uốn
Oezbeeks bukmoq, egmoq
Hindi मोड़ना
Chinees 弄弯, 折弯
Thais งอ, ดัด
Koreaans 구부리다, 굽히다
Azerbeidzjaans bükmək, əyiltmək
Georgisch ღუნვა
Bengaals বাঁকানো
Albanees përkul, përthyj
Marathi वाकवणे
Nepalees मोड्नु
Telugu వంగించు, వంచు
Lets liekt, saliekt
Tamil வளைத்தல்
Ests kõverdama, painutama
Armeens ծռել, կորացնել
Koerdisch leqandin
Hebreeuwsלסובב، לפנות
Arabischانحراف، انعطف، ثنى، درأ، تجنب
Perzischانحنا دادن، پیچیدن، پیچیدن هنگام رانندگی
Urduموڑنا، گھمانا

abbiegen (hat) in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van abbiegen (hat)

  • die Form eines Gegenstandes bogenartig verändern, abknicken, formen, knicken, umbiegen, umformen
  • die Richtung der Bewegung bogenartig ändern, abschwenken, den Kurs, die Fahrtrichtung ändern, umändern, verändern
  • vermeiden, verhindern, abwehren, abwenden
  • zu verhindern wissen, einbiegen, abwenden (können), die Fahrtrichtung ändern

abbiegen (hat) in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor abbiegen (hat)


  • jemand/etwas biegt nach etwas ab

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord abbiegen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord abbiegen (hat)


De vervoeging van het werkwoord ab·gebogen sein wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord ab·gebogen sein is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (ist abgebogen - war abgebogen - ist abgebogen gewesen) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary abbiegen en op abbiegen in de Duden.

abbiegen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich bin abgebogenwar abgebogensei abgebogenwäre abgebogen-
du bist abgebogenwarst abgebogenseiest abgebogenwärest abgebogensei abgebogen
er ist abgebogenwar abgebogensei abgebogenwäre abgebogen-
wir sind abgebogenwaren abgebogenseien abgebogenwären abgebogenseien abgebogen
ihr seid abgebogenwart abgebogenseiet abgebogenwäret abgebogenseid abgebogen
sie sind abgebogenwaren abgebogenseien abgebogenwären abgebogenseien abgebogen

indicatief statief passief

  • Tegenwoordige tijd: ich bin abgebogen, du bist abgebogen, er ist abgebogen, wir sind abgebogen, ihr seid abgebogen, sie sind abgebogen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich war abgebogen, du warst abgebogen, er war abgebogen, wir waren abgebogen, ihr wart abgebogen, sie waren abgebogen
  • Perfectum: ich bin abgebogen gewesen, du bist abgebogen gewesen, er ist abgebogen gewesen, wir sind abgebogen gewesen, ihr seid abgebogen gewesen, sie sind abgebogen gewesen
  • Voltooid verleden tijd: ich war abgebogen gewesen, du warst abgebogen gewesen, er war abgebogen gewesen, wir waren abgebogen gewesen, ihr wart abgebogen gewesen, sie waren abgebogen gewesen
  • Toekomende tijd I: ich werde abgebogen sein, du wirst abgebogen sein, er wird abgebogen sein, wir werden abgebogen sein, ihr werdet abgebogen sein, sie werden abgebogen sein
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde abgebogen gewesen sein, du wirst abgebogen gewesen sein, er wird abgebogen gewesen sein, wir werden abgebogen gewesen sein, ihr werdet abgebogen gewesen sein, sie werden abgebogen gewesen sein

Conjunctief statief passief

  • Tegenwoordige tijd: ich sei abgebogen, du seiest abgebogen, er sei abgebogen, wir seien abgebogen, ihr seiet abgebogen, sie seien abgebogen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich wäre abgebogen, du wärest abgebogen, er wäre abgebogen, wir wären abgebogen, ihr wäret abgebogen, sie wären abgebogen
  • Perfectum: ich sei abgebogen gewesen, du seiest abgebogen gewesen, er sei abgebogen gewesen, wir seien abgebogen gewesen, ihr seiet abgebogen gewesen, sie seien abgebogen gewesen
  • Voltooid verleden tijd: ich wäre abgebogen gewesen, du wärest abgebogen gewesen, er wäre abgebogen gewesen, wir wären abgebogen gewesen, ihr wäret abgebogen gewesen, sie wären abgebogen gewesen
  • Toekomende tijd I: ich werde abgebogen sein, du werdest abgebogen sein, er werde abgebogen sein, wir werden abgebogen sein, ihr werdet abgebogen sein, sie werden abgebogen sein
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde abgebogen gewesen sein, du werdest abgebogen gewesen sein, er werde abgebogen gewesen sein, wir werden abgebogen gewesen sein, ihr werdet abgebogen gewesen sein, sie werden abgebogen gewesen sein

Voorwaardelijke wijs II (würde) statief passief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde abgebogen sein, du würdest abgebogen sein, er würde abgebogen sein, wir würden abgebogen sein, ihr würdet abgebogen sein, sie würden abgebogen sein
  • Voltooid verleden tijd: ich würde abgebogen gewesen sein, du würdest abgebogen gewesen sein, er würde abgebogen gewesen sein, wir würden abgebogen gewesen sein, ihr würdet abgebogen gewesen sein, sie würden abgebogen gewesen sein

Imperatief statief passief

  • Tegenwoordige tijd: sei (du) abgebogen, seien wir abgebogen, seid (ihr) abgebogen, seien Sie abgebogen

Infinitief/Deelwoord statief passief

  • Infinitief I: abgebogen sein, abgebogen zu sein
  • Infinitief II: abgebogen gewesen sein, abgebogen gewesen zu sein
  • Tegenwoordig deelwoord: abgebogen seiend
  • Participle II: abgebogen gewesen

Opmerkingen



Inloggen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 19525, 19525, 19525

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: abbiegen