Vervoeging van het Duitse werkwoord vermehren

De vervoeging van het werkwoord vermehren (vermeerderen, vergroten) is regelmatig. De basisvormen zijn vermehrt, vermehrte en hat vermehrt. Het hulpwerkwoord van vermehren is "haben". Het voorvoegsel ver- van vermehren is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord vermehren beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor vermehren. Je kunt niet alleen vermehren vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau B2. Opmerkingen

Video 

B2 · regelmatig · haben · onlosmakelijk

vermehren

vermehrt · vermehrte · hat vermehrt

Engels augment, multiply, aggrandise, aggrandize, increase, accrete, add to, breed, heighten, increase (in), procreate, propagate, reproduce, spawn, strengthen

/fɛɐ̯ˈmeːʁən/ · /fɛɐ̯ˈmeːʁt/ · /fɛɐ̯ˈmeːʁtə/ · /fɛɐ̯ˈmeːʁt/

die Menge von etwas vergrößern oder auch mehr werden; Nachwuchs zeugen, öfter bei Tieren verwendet, als bei Pflanzen oder beim Menschen, sich fortpflanzen; steigern, fortpflanzen, (sich) fortpflanzen, zunehmen (an)

(sich+A, acc.)

» Wir vermehren uns. Engels We reproduce.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van vermehren

Tegenwoordige tijd

ich vermehr(e)⁵
du vermehrst
er vermehrt
wir vermehren
ihr vermehrt
sie vermehren

Onvoltooid verleden tijd

ich vermehrte
du vermehrtest
er vermehrte
wir vermehrten
ihr vermehrtet
sie vermehrten

Imperatief

-
vermehr(e)⁵ (du)
-
vermehren wir
vermehrt (ihr)
vermehren Sie

Konjunktief I

ich vermehre
du vermehrest
er vermehre
wir vermehren
ihr vermehret
sie vermehren

Konjunktief II

ich vermehrte
du vermehrtest
er vermehrte
wir vermehrten
ihr vermehrtet
sie vermehrten

Infinitief

vermehren
zu vermehren

Deelwoord

vermehrend
vermehrt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord vermehren vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich vermehr(e)⁵
du vermehrst
er vermehrt
wir vermehren
ihr vermehrt
sie vermehren

Onvoltooid verleden tijd

ich vermehrte
du vermehrtest
er vermehrte
wir vermehrten
ihr vermehrtet
sie vermehrten

Perfectum

ich habe vermehrt
du hast vermehrt
er hat vermehrt
wir haben vermehrt
ihr habt vermehrt
sie haben vermehrt

Volt. verl. tijd

ich hatte vermehrt
du hattest vermehrt
er hatte vermehrt
wir hatten vermehrt
ihr hattet vermehrt
sie hatten vermehrt

Toekomende tijd I

ich werde vermehren
du wirst vermehren
er wird vermehren
wir werden vermehren
ihr werdet vermehren
sie werden vermehren

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde vermehrt haben
du wirst vermehrt haben
er wird vermehrt haben
wir werden vermehrt haben
ihr werdet vermehrt haben
sie werden vermehrt haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Mäuse vermehren sich rasch. 
  • Er vermehrte seine Ersparnisse. 
  • Bakterien vermehren sich durch Teilung. 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord vermehren in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich vermehre
du vermehrest
er vermehre
wir vermehren
ihr vermehret
sie vermehren

Konjunktief II

ich vermehrte
du vermehrtest
er vermehrte
wir vermehrten
ihr vermehrtet
sie vermehrten

Voltooid Konj.

ich habe vermehrt
du habest vermehrt
er habe vermehrt
wir haben vermehrt
ihr habet vermehrt
sie haben vermehrt

Konj. volt. verl. t.

ich hätte vermehrt
du hättest vermehrt
er hätte vermehrt
wir hätten vermehrt
ihr hättet vermehrt
sie hätten vermehrt

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde vermehren
du werdest vermehren
er werde vermehren
wir werden vermehren
ihr werdet vermehren
sie werden vermehren

Toek. volt. aanw.

ich werde vermehrt haben
du werdest vermehrt haben
er werde vermehrt haben
wir werden vermehrt haben
ihr werdet vermehrt haben
sie werden vermehrt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde vermehren
du würdest vermehren
er würde vermehren
wir würden vermehren
ihr würdet vermehren
sie würden vermehren

Verleden cond.

ich würde vermehrt haben
du würdest vermehrt haben
er würde vermehrt haben
wir würden vermehrt haben
ihr würdet vermehrt haben
sie würden vermehrt haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord vermehren


Tegenwoordige tijd

vermehr(e)⁵ (du)
vermehren wir
vermehrt (ihr)
vermehren Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor vermehren


Infinitief I


vermehren
zu vermehren

Infinitief II


vermehrt haben
vermehrt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


vermehrend

Participle II


vermehrt

  • Ein Virus funktioniert, wenn es sich vermehren kann. 
  • Das Kapital wurde nahezu mühelos vermehrt . 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor vermehren


  • Wir vermehren uns. 
    Engels We reproduce.
  • Mäuse vermehren sich rasch. 
    Engels Mice reproduce quickly.
  • Er vermehrte seine Ersparnisse. 
    Engels He added to his savings.
  • Bakterien vermehren sich durch Teilung. 
    Engels Bacteria reproduce by fission.
  • Die Bakterien vermehrten sich ungehindert. 
    Engels The bacteria multiplied unhindered.
  • Seltener Besuch vermehrt die Freundschaft. 
    Engels Rare visits increase friendship.
  • Bakterien vermehren sich in Alkohol nicht. 
    Engels Bacteria do not reproduce in alcohol.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse vermehren


Duits vermehren
Engels augment, multiply, aggrandise, aggrandize, increase, accrete, add to, breed
Russisch размножаться, увеличивать, увеличиваться, умножать, умножить, множиться, нарастить, наращивать
Spaans aumentar, multiplicar, incrementar, reproducirse, acrecentar, acrecer, acrecerse, engrosar
Frans augmenter, multiplier, se multiplier, se reproduire, accroitre, accroître, ajouter à, grossir
Turks artırmak, çoğalmak, çoğaltmak, üremek, artmak, artirmak
Portugees multiplicar, aumentar, avolumar-se, multiplicar-se, procriar, proliferar, propagar-se, reproduzir
Italiaans aumentare, moltiplicare, moltiplicarsi, accrescere, crescere, proliferare, prolificare, riprodurre
Roemeens înmulți, crește, spori
Hongaars szaporít, gyarapodik, növel, szaporodik, szaporodni, szaporítás
Pools rozmnażać, mnożyć, pomnażać, powiększać, powiększać się, powiększyć się, rozmnażać się, rozmnożyć
Grieks αυξάνω, αναπαράγομαι, αναπαράγω, αναπαραγωγή, αυξάνομαι, μεγαλώνω, πολλαπλασιάζομαι, πολλαπλασιάζω
Nederlands vermeerderen, vergroten, doen toenemen, toenemen, vermenigvuldigen, voortplanten, zich vermeerderen, zich voortplanten
Tsjechisch rozmnožit, množit, pářit se, rozmnožovat se, zvětšit
Zweeds öka, föröka, fortplanta, föröka sig, förökas, utvidga, utöka
Deens formere, forøge, formere sig, forplante, forøges, mangedoble, tiltage, øge
Japans 増やす, 繁殖, 増える, 増す, 繁殖する
Catalaans augmentar, multiplicar, multiplicar-se, reproduir
Fins lisätä, lisääntyä, jälkeläisten tuottaminen, kartuttaa, kasvattaa, moninkertaistaa
Noors øke, formere, formere seg, forøke, utvide
Baskisch gehitu, handitu, sustrai, ugaltzea
Servisch povećati, proizvoditi, razmnožavati se, umnožiti
Macedonisch множество, плодност, размножување, увеличување
Sloveens povečati, razmnoževati se, razmnožiti
Slowaaks páriť, rozmnožiť, rozmnožovať, zväčšiť
Bosnisch povećati, razmnožavati se, umnožiti
Kroatisch povećati, proizvesti, razmnožavati se, umnožiti
Oekraïens збільшувати, потомство, розмножувати, розмножуватися
Bulgaars размножавам, потомство, увеличавам
Wit-Russisch павялічыць, размножвацца, размножыць
Indonesisch berkembang biak, menambah, meningkatkan
Vietnamees sinh sản, tăng lên
Oezbeeks ko'paytirmoq
Hindi प्रजनन करना, बढ़ाना
Chinees 增加, 增多, 繁殖
Thais สืบพันธุ์, เพิ่มขึ้น
Koreaans 번식하다, 증대시키다
Azerbeidzjaans artdırmaq, çoğaltmaq
Georgisch გამრავლება, ზრდება
Bengaals প্রজনন করা, বাড়ানো
Albanees riprodhoj, rrit
Marathi प्रजनन करणे, वाढवणे
Nepalees जनन गर्नु, बढाउन
Telugu పునరుత్పత్తి చేయడం, పెంచడం
Lets palielināt, pavairot
Tamil அதிகரிக்க, பிறப்பு உருவாக்குதல்
Ests paljundama, suurendada
Armeens բազմացնել, մեծացնել, վերարտադրել
Koerdisch zêde kirin, zêdekirin
Hebreeuwsלהתרבות، להגדיל، להזדווג
Arabischتكاثر، تزاوج، تكثير، زاد، زيادة، كثر
Perzischافزایش دادن، بیشتر شدن، تولید مثل، تکثیر
Urduبڑھانا، زیادہ ہونا، نسل، پیدائش

vermehren in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van vermehren

  • die Menge von etwas vergrößern oder auch mehr werden, steigern
  • Nachwuchs zeugen, öfter bei Tieren verwendet, als bei Pflanzen oder beim Menschen, sich fortpflanzen, fortpflanzen
  • sich fortpflanzen, (sich) fortpflanzen, zunehmen (an), emporsteigen, strecken (Gericht), Junge haben

vermehren in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord vermehren vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord vermehren


De vervoeging van het werkwoord vermehren wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord vermehren is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (vermehrt - vermehrte - hat vermehrt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary vermehren en op vermehren in de Duden.

vermehren vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich vermehr(e)vermehrtevermehrevermehrte-
du vermehrstvermehrtestvermehrestvermehrtestvermehr(e)
er vermehrtvermehrtevermehrevermehrte-
wir vermehrenvermehrtenvermehrenvermehrtenvermehren
ihr vermehrtvermehrtetvermehretvermehrtetvermehrt
sie vermehrenvermehrtenvermehrenvermehrtenvermehren

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich vermehr(e), du vermehrst, er vermehrt, wir vermehren, ihr vermehrt, sie vermehren
  • Onvoltooid verleden tijd: ich vermehrte, du vermehrtest, er vermehrte, wir vermehrten, ihr vermehrtet, sie vermehrten
  • Perfectum: ich habe vermehrt, du hast vermehrt, er hat vermehrt, wir haben vermehrt, ihr habt vermehrt, sie haben vermehrt
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte vermehrt, du hattest vermehrt, er hatte vermehrt, wir hatten vermehrt, ihr hattet vermehrt, sie hatten vermehrt
  • Toekomende tijd I: ich werde vermehren, du wirst vermehren, er wird vermehren, wir werden vermehren, ihr werdet vermehren, sie werden vermehren
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde vermehrt haben, du wirst vermehrt haben, er wird vermehrt haben, wir werden vermehrt haben, ihr werdet vermehrt haben, sie werden vermehrt haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich vermehre, du vermehrest, er vermehre, wir vermehren, ihr vermehret, sie vermehren
  • Onvoltooid verleden tijd: ich vermehrte, du vermehrtest, er vermehrte, wir vermehrten, ihr vermehrtet, sie vermehrten
  • Perfectum: ich habe vermehrt, du habest vermehrt, er habe vermehrt, wir haben vermehrt, ihr habet vermehrt, sie haben vermehrt
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte vermehrt, du hättest vermehrt, er hätte vermehrt, wir hätten vermehrt, ihr hättet vermehrt, sie hätten vermehrt
  • Toekomende tijd I: ich werde vermehren, du werdest vermehren, er werde vermehren, wir werden vermehren, ihr werdet vermehren, sie werden vermehren
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde vermehrt haben, du werdest vermehrt haben, er werde vermehrt haben, wir werden vermehrt haben, ihr werdet vermehrt haben, sie werden vermehrt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde vermehren, du würdest vermehren, er würde vermehren, wir würden vermehren, ihr würdet vermehren, sie würden vermehren
  • Voltooid verleden tijd: ich würde vermehrt haben, du würdest vermehrt haben, er würde vermehrt haben, wir würden vermehrt haben, ihr würdet vermehrt haben, sie würden vermehrt haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: vermehr(e) (du), vermehren wir, vermehrt (ihr), vermehren Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: vermehren, zu vermehren
  • Infinitief II: vermehrt haben, vermehrt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: vermehrend
  • Participle II: vermehrt

Opmerkingen



Inloggen

* De zinnen van Nachrichtenleicht (nachrichtenleicht.de) zijn onderworpen aan de daar opgeslagen voorwaarden. Deze en het bijbehorende artikel zijn te raadplegen via de volgende links: Riesen-Virus entdeckt

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 89311, 89311

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 8786574, 2580410, 1507204, 10367082, 4983229, 1852730

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: vermehren

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 89311, 89311