Vervoeging van het Duitse werkwoord verkäsen (hat)
De vervoeging van het werkwoord verkäsen (kaas maken) is regelmatig. De basisvormen zijn verkäst, verkäste en hat verkäst. Het hulpwerkwoord van verkäsen is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". Het voorvoegsel ver- van verkäsen is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord verkäsen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor verkäsen. Je kunt niet alleen verkäsen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen ☆
De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van verkäsen (hat)
Onvoltooid verleden tijd
| ich | verkäste |
| du | verkästest |
| er | verkäste |
| wir | verkästen |
| ihr | verkästet |
| sie | verkästen |
⁵ Alleen in informeel taalgebruik
indicatief
Het werkwoord verkäsen (hat) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd
Onvoltooid verleden tijd
| ich | verkäste |
| du | verkästest |
| er | verkäste |
| wir | verkästen |
| ihr | verkästet |
| sie | verkästen |
Perfectum
| ich | habe | verkäst |
| du | hast | verkäst |
| er | hat | verkäst |
| wir | haben | verkäst |
| ihr | habt | verkäst |
| sie | haben | verkäst |
Volt. verl. tijd
| ich | hatte | verkäst |
| du | hattest | verkäst |
| er | hatte | verkäst |
| wir | hatten | verkäst |
| ihr | hattet | verkäst |
| sie | hatten | verkäst |
Toekomende tijd I
| ich | werde | verkäsen |
| du | wirst | verkäsen |
| er | wird | verkäsen |
| wir | werden | verkäsen |
| ihr | werdet | verkäsen |
| sie | werden | verkäsen |
voltooid tegenwoordige toekomende tijd
| ich | werde | verkäst | haben |
| du | wirst | verkäst | haben |
| er | wird | verkäst | haben |
| wir | werden | verkäst | haben |
| ihr | werdet | verkäst | haben |
| sie | werden | verkäst | haben |
⁵ Alleen in informeel taalgebruik
Conjunctief
De vervoeging van het werkwoord verkäsen (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.
Voltooid Konj.
| ich | habe | verkäst |
| du | habest | verkäst |
| er | habe | verkäst |
| wir | haben | verkäst |
| ihr | habet | verkäst |
| sie | haben | verkäst |
Konj. volt. verl. t.
| ich | hätte | verkäst |
| du | hättest | verkäst |
| er | hätte | verkäst |
| wir | hätten | verkäst |
| ihr | hättet | verkäst |
| sie | hätten | verkäst |
Voorwaardelijke wijs II (würde)
Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.
Imperatief
De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord verkäsen (hat)
⁵ Alleen in informeel taalgebruik
Infinitief/Deelwoord
De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor verkäsen (hat)
Vertalingen
Vertalingen van het Duitse verkäsen (hat)
-
verkäsen (hat)
cheese, cheesemaking
сделать сыр
quesificar
fromager
peynir yapmak
queijar
sottoporre a caseificazione, formaggio
transforma laptele în brânză
sajtot készíteni
produkować ser, serowarstwo
τυροκομία
kaas maken
sýřit
osttillverkning
oste
チーズにする
fer formatge
juustoksi tekeminen
ostmaking
gazta egitea
praviti sir
производство на сирење
sirjenje
syr
siriti
siriti
перетворювати на сир
преработвам мляко в сирене
сыроварэнне
membuat keju, mengolah susu menjadi keju
làm phô mai, lên men sữa
pishloq qilish, pishloq tayyorlash
पनीर तैयार करना, पनीर बनाना
制作奶酪, 制酪
ทำชีส, ทำนมให้เป็นชีส
치즈 만들다, 치즈 제조하다
pendir etmək, pendir hazırlamaq
რძის ყველად გარდაქმნა, ყველის დამზადება
চীজ তৈরি করা, পনির তৈরি করা
bëj djathë
पनीर तयार करणे, पनीर बनवणे
चीज बनाउनु, पनीर बनाउनु
చీజ్ తయారు చేయడం, పనీర్ తయారు చేయడం
gatavot sieru, raudzēt pienu
சீஸ் தயாரிக்க, பன்னீர் தயாரிக்க
juustu teha, juustu valmistama
պանիր պատրաստել
penîr amadekirin, penîr çêkirin
להפוך גבינה
تحويل الحليب إلى جبن
پنیرسازی
پنیر بنانا
verkäsen (hat) in dict.cc
Vertalingen
Doe mee
Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.
|
|
Inloggen |
Definities
Betekenissen en synoniemen van verkäsen (hat)- zu Käse werden, gären, kippen, stocken
- Milch oder ähnliche Rohstoffe zu Käse machen, fermentieren, säuern, verbuttern, vergären
- [Medizin] eine käseartige Struktur bekommen
- [Medizin]
Betekenissen Synoniemen
Verbuigingsregels
Gedetailleerde regels voor vervoeging
- Vorming van Tegenwoordige tijd van verkäsen
- Vorming van Onvoltooid verleden tijd van verkäsen
- Vorming van Imperatief van verkäsen
- Vorming van Konjunktiv I van verkäsen
- Vorming van Konjunktiv II van verkäsen
- Vorming van Infinitief van verkäsen
- Vorming van Deelwoord van verkäsen
- Hoe vervoeg je werkwoorden in het Duits?
Afleidingen
Afgeleide vormen van verkäsen (hat)
≡ versingeln
≡ verkrachen
≡ verbildlichen
≡ verzwirnen
≡ vertobaken
≡ verwickeln
≡ verknusen
≡ verkuppeln
≡ verbuttern
≡ verrammeln
≡ verquasen
≡ verhudeln
≡ verfrachten
≡ verklären
≡ verpfänden
≡ verschwinden
Woordenboeken
Alle vertaalwoordenboeken
Duitse werkwoord verkäsen vervoegen
Overzicht van alle tijden van het werkwoord verkäsen (hat)
De vervoeging van het werkwoord verkäsen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord verkäsen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (verkäst - verkäste - hat verkäst) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary verkäsen en op verkäsen in de Duden.
verkäsen vervoeging
| Tegenwoordige tijd | Onvoltooid verleden tijd | Conjunctief I | Conjunctief II | Imperatief | |
|---|---|---|---|---|---|
| ich | verkäs(e) | verkäste | verkäse | verkäste | - |
| du | verkäst | verkästest | verkäsest | verkästest | verkäs(e) |
| er | verkäst | verkäste | verkäse | verkäste | - |
| wir | verkäsen | verkästen | verkäsen | verkästen | verkäsen |
| ihr | verkäst | verkästet | verkäset | verkästet | verkäst |
| sie | verkäsen | verkästen | verkäsen | verkästen | verkäsen |
indicatief Actief
- Tegenwoordige tijd: ich verkäs(e), du verkäst, er verkäst, wir verkäsen, ihr verkäst, sie verkäsen
- Onvoltooid verleden tijd: ich verkäste, du verkästest, er verkäste, wir verkästen, ihr verkästet, sie verkästen
- Perfectum: ich habe verkäst, du hast verkäst, er hat verkäst, wir haben verkäst, ihr habt verkäst, sie haben verkäst
- Voltooid verleden tijd: ich hatte verkäst, du hattest verkäst, er hatte verkäst, wir hatten verkäst, ihr hattet verkäst, sie hatten verkäst
- Toekomende tijd I: ich werde verkäsen, du wirst verkäsen, er wird verkäsen, wir werden verkäsen, ihr werdet verkäsen, sie werden verkäsen
- voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde verkäst haben, du wirst verkäst haben, er wird verkäst haben, wir werden verkäst haben, ihr werdet verkäst haben, sie werden verkäst haben
Conjunctief Actief
- Tegenwoordige tijd: ich verkäse, du verkäsest, er verkäse, wir verkäsen, ihr verkäset, sie verkäsen
- Onvoltooid verleden tijd: ich verkäste, du verkästest, er verkäste, wir verkästen, ihr verkästet, sie verkästen
- Perfectum: ich habe verkäst, du habest verkäst, er habe verkäst, wir haben verkäst, ihr habet verkäst, sie haben verkäst
- Voltooid verleden tijd: ich hätte verkäst, du hättest verkäst, er hätte verkäst, wir hätten verkäst, ihr hättet verkäst, sie hätten verkäst
- Toekomende tijd I: ich werde verkäsen, du werdest verkäsen, er werde verkäsen, wir werden verkäsen, ihr werdet verkäsen, sie werden verkäsen
- voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde verkäst haben, du werdest verkäst haben, er werde verkäst haben, wir werden verkäst haben, ihr werdet verkäst haben, sie werden verkäst haben
Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief
- Onvoltooid verleden tijd: ich würde verkäsen, du würdest verkäsen, er würde verkäsen, wir würden verkäsen, ihr würdet verkäsen, sie würden verkäsen
- Voltooid verleden tijd: ich würde verkäst haben, du würdest verkäst haben, er würde verkäst haben, wir würden verkäst haben, ihr würdet verkäst haben, sie würden verkäst haben
Imperatief Actief
- Tegenwoordige tijd: verkäs(e) (du), verkäsen wir, verkäst (ihr), verkäsen Sie
Infinitief/Deelwoord Actief
- Infinitief I: verkäsen, zu verkäsen
- Infinitief II: verkäst haben, verkäst zu haben
- Tegenwoordig deelwoord: verkäsend
- Participle II: verkäst