Vervoeging van het Duitse werkwoord veranschlagen

De vervoeging van het werkwoord veranschlagen (ramen, begroten) is regelmatig. De basisvormen zijn veranschlagt, veranschlagte en hat veranschlagt. Het hulpwerkwoord van veranschlagen is "haben". Het voorvoegsel veran- van veranschlagen is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord veranschlagen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor veranschlagen. Je kunt niet alleen veranschlagen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

C2 · regelmatig · haben · onlosmakelijk

veranschlagen

veranschlagt · veranschlagte · hat veranschlagt

Engels estimate, assess, appraise, calculate, cost, figure out, reckon

/fɛɐ̯ˈanˌʃlaːɡn̩/ · /fɛɐ̯ˈanˌʃlaːkt/ · /fɛɐ̯ˈanˌʃlaːktə/ · /fɛɐ̯ˈanˌʃlaːkt/

den Wert einer Größe im Voraus abschätzen; ansetzen, einplanen, einkalkulieren, kalkulieren, schätzen

(acc., auf+A)

» Der Installateur veranschlagte acht Arbeitsstunden für den Einbau der Badewanne. Engels The plumber estimated eight working hours for the installation of the bathtub.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van veranschlagen

Tegenwoordige tijd

ich veranschlag(e)⁵
du veranschlagst
er veranschlagt
wir veranschlagen
ihr veranschlagt
sie veranschlagen

Onvoltooid verleden tijd

ich veranschlagte
du veranschlagtest
er veranschlagte
wir veranschlagten
ihr veranschlagtet
sie veranschlagten

Imperatief

-
veranschlag(e)⁵ (du)
-
veranschlagen wir
veranschlagt (ihr)
veranschlagen Sie

Konjunktief I

ich veranschlage
du veranschlagest
er veranschlage
wir veranschlagen
ihr veranschlaget
sie veranschlagen

Konjunktief II

ich veranschlagte
du veranschlagtest
er veranschlagte
wir veranschlagten
ihr veranschlagtet
sie veranschlagten

Infinitief

veranschlagen
zu veranschlagen

Deelwoord

veranschlagend
veranschlagt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord veranschlagen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich veranschlag(e)⁵
du veranschlagst
er veranschlagt
wir veranschlagen
ihr veranschlagt
sie veranschlagen

Onvoltooid verleden tijd

ich veranschlagte
du veranschlagtest
er veranschlagte
wir veranschlagten
ihr veranschlagtet
sie veranschlagten

Perfectum

ich habe veranschlagt
du hast veranschlagt
er hat veranschlagt
wir haben veranschlagt
ihr habt veranschlagt
sie haben veranschlagt

Volt. verl. tijd

ich hatte veranschlagt
du hattest veranschlagt
er hatte veranschlagt
wir hatten veranschlagt
ihr hattet veranschlagt
sie hatten veranschlagt

Toekomende tijd I

ich werde veranschlagen
du wirst veranschlagen
er wird veranschlagen
wir werden veranschlagen
ihr werdet veranschlagen
sie werden veranschlagen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde veranschlagt haben
du wirst veranschlagt haben
er wird veranschlagt haben
wir werden veranschlagt haben
ihr werdet veranschlagt haben
sie werden veranschlagt haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Der Installateur veranschlagte acht Arbeitsstunden für den Einbau der Badewanne. 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord veranschlagen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich veranschlage
du veranschlagest
er veranschlage
wir veranschlagen
ihr veranschlaget
sie veranschlagen

Konjunktief II

ich veranschlagte
du veranschlagtest
er veranschlagte
wir veranschlagten
ihr veranschlagtet
sie veranschlagten

Voltooid Konj.

ich habe veranschlagt
du habest veranschlagt
er habe veranschlagt
wir haben veranschlagt
ihr habet veranschlagt
sie haben veranschlagt

Konj. volt. verl. t.

ich hätte veranschlagt
du hättest veranschlagt
er hätte veranschlagt
wir hätten veranschlagt
ihr hättet veranschlagt
sie hätten veranschlagt

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde veranschlagen
du werdest veranschlagen
er werde veranschlagen
wir werden veranschlagen
ihr werdet veranschlagen
sie werden veranschlagen

Toek. volt. aanw.

ich werde veranschlagt haben
du werdest veranschlagt haben
er werde veranschlagt haben
wir werden veranschlagt haben
ihr werdet veranschlagt haben
sie werden veranschlagt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde veranschlagen
du würdest veranschlagen
er würde veranschlagen
wir würden veranschlagen
ihr würdet veranschlagen
sie würden veranschlagen

Verleden cond.

ich würde veranschlagt haben
du würdest veranschlagt haben
er würde veranschlagt haben
wir würden veranschlagt haben
ihr würdet veranschlagt haben
sie würden veranschlagt haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord veranschlagen


Tegenwoordige tijd

veranschlag(e)⁵ (du)
veranschlagen wir
veranschlagt (ihr)
veranschlagen Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor veranschlagen


Infinitief I


veranschlagen
zu veranschlagen

Infinitief II


veranschlagt haben
veranschlagt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


veranschlagend

Participle II


veranschlagt

  • Diese Steuer wird bei allen Privatunternehmen veranschlagt . 
  • Die Baukosten des neuen Krankenhauses waren bedeutend höher, als zuerst veranschlagt worden war. 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor veranschlagen


  • Der Installateur veranschlagte acht Arbeitsstunden für den Einbau der Badewanne. 
    Engels The plumber estimated eight working hours for the installation of the bathtub.
  • Diese Steuer wird bei allen Privatunternehmen veranschlagt . 
    Engels This tax is applied to all private-sector enterprises.
  • Die Baukosten des neuen Krankenhauses waren bedeutend höher, als zuerst veranschlagt worden war. 
    Engels The cost of building the new hospital was considerably higher than first estimated.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse veranschlagen


Duits veranschlagen
Engels estimate, assess, appraise, calculate, cost, figure out, reckon
Russisch оценивать, оценить, калькулировать, предварительная оценка, составить смету, составлять смету
Spaans calcular, estimar, estimar en, evaluar, presupuestar, tasar
Frans estimer, évaluer
Turks tahmin etmek, değer biçmek, değer biçmek olarak, hesaplamak
Portugees avaliar, estimar, calcular, orçar
Italiaans stimare, valutare, prevedere, preventivare
Roemeens aprecia, estima
Hongaars előirányoz, megbecsül
Pools oszacować, przewidzieć, szacować
Grieks εκτίμηση, εκτιμώ, προϋπολογισμός, υπολογίζω
Nederlands ramen, begroten, inschatten, taxeren
Tsjechisch odhadnout, odhadovat, odhadovatdnout, předpokládat
Zweeds beräkna, uppskatta
Deens anslå, beregne, vurdere
Japans 見積もる, 評価する
Catalaans avaluar, estimar
Fins arvioida, ennakoida
Noors anslå
Baskisch aurreikusi, baloratu
Servisch predviđanje, procena
Macedonisch вредност, проценка
Sloveens oceniti, predvideti
Slowaaks odhadnúť, predpokladať
Bosnisch predvidjeti, procijeniti
Kroatisch predvidjeti, procijeniti
Oekraïens оцінювати, передбачати
Bulgaars оценка, предварителна оценка
Wit-Russisch ацаніць, папярэдне ацаніць
Indonesisch memerkirakan
Vietnamees ước tính
Oezbeeks taxmin qilmoq
Hindi अनुमान लगाना
Chinees 估算
Thais ประมาณค่า
Koreaans 추정하다
Azerbeidzjaans tahmin etmək
Bengaals আনুমান করা
Albanees vlerësoj
Marathi अनुमान करणे
Nepalees अनुमान गर्नु
Telugu అంచనా వేయడం
Lets aprēķināt
Tamil அனுமானிக்கவும்
Ests hindama
Armeens հաշվել
Koerdisch hesab kirin
Hebreeuwsלהעריך
Arabischتقدير، يتنبأ، يتوقّع
Perzischبرآورد کردن
Urduاندازہ لگانا، مفروضہ

veranschlagen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van veranschlagen

  • den Wert einer Größe im Voraus abschätzen, ansetzen, einplanen, einkalkulieren, kalkulieren, schätzen

veranschlagen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor veranschlagen


  • jemand/etwas veranschlagt etwas auf etwas

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord veranschlagen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord veranschlagen


De vervoeging van het werkwoord veranschlagen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord veranschlagen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (veranschlagt - veranschlagte - hat veranschlagt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary veranschlagen en op veranschlagen in de Duden.

veranschlagen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich veranschlag(e)veranschlagteveranschlageveranschlagte-
du veranschlagstveranschlagtestveranschlagestveranschlagtestveranschlag(e)
er veranschlagtveranschlagteveranschlageveranschlagte-
wir veranschlagenveranschlagtenveranschlagenveranschlagtenveranschlagen
ihr veranschlagtveranschlagtetveranschlagetveranschlagtetveranschlagt
sie veranschlagenveranschlagtenveranschlagenveranschlagtenveranschlagen

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich veranschlag(e), du veranschlagst, er veranschlagt, wir veranschlagen, ihr veranschlagt, sie veranschlagen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich veranschlagte, du veranschlagtest, er veranschlagte, wir veranschlagten, ihr veranschlagtet, sie veranschlagten
  • Perfectum: ich habe veranschlagt, du hast veranschlagt, er hat veranschlagt, wir haben veranschlagt, ihr habt veranschlagt, sie haben veranschlagt
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte veranschlagt, du hattest veranschlagt, er hatte veranschlagt, wir hatten veranschlagt, ihr hattet veranschlagt, sie hatten veranschlagt
  • Toekomende tijd I: ich werde veranschlagen, du wirst veranschlagen, er wird veranschlagen, wir werden veranschlagen, ihr werdet veranschlagen, sie werden veranschlagen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde veranschlagt haben, du wirst veranschlagt haben, er wird veranschlagt haben, wir werden veranschlagt haben, ihr werdet veranschlagt haben, sie werden veranschlagt haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich veranschlage, du veranschlagest, er veranschlage, wir veranschlagen, ihr veranschlaget, sie veranschlagen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich veranschlagte, du veranschlagtest, er veranschlagte, wir veranschlagten, ihr veranschlagtet, sie veranschlagten
  • Perfectum: ich habe veranschlagt, du habest veranschlagt, er habe veranschlagt, wir haben veranschlagt, ihr habet veranschlagt, sie haben veranschlagt
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte veranschlagt, du hättest veranschlagt, er hätte veranschlagt, wir hätten veranschlagt, ihr hättet veranschlagt, sie hätten veranschlagt
  • Toekomende tijd I: ich werde veranschlagen, du werdest veranschlagen, er werde veranschlagen, wir werden veranschlagen, ihr werdet veranschlagen, sie werden veranschlagen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde veranschlagt haben, du werdest veranschlagt haben, er werde veranschlagt haben, wir werden veranschlagt haben, ihr werdet veranschlagt haben, sie werden veranschlagt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde veranschlagen, du würdest veranschlagen, er würde veranschlagen, wir würden veranschlagen, ihr würdet veranschlagen, sie würden veranschlagen
  • Voltooid verleden tijd: ich würde veranschlagt haben, du würdest veranschlagt haben, er würde veranschlagt haben, wir würden veranschlagt haben, ihr würdet veranschlagt haben, sie würden veranschlagt haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: veranschlag(e) (du), veranschlagen wir, veranschlagt (ihr), veranschlagen Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: veranschlagen, zu veranschlagen
  • Infinitief II: veranschlagt haben, veranschlagt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: veranschlagend
  • Participle II: veranschlagt

Opmerkingen



Inloggen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 165052

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: veranschlagen

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 165052

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 509639, 3329830