Vervoeging van het Duitse werkwoord trampeln (hat)

De vervoeging van het werkwoord trampeln (stampen, trappen) is regelmatig. De basisvormen zijn trampelt, trampelte en hat getrampelt. Het hulpwerkwoord van trampeln is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord trampeln beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor trampeln. Je kunt niet alleen trampeln vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

haben
trampeln
sein
trampeln

C2 · regelmatig · haben

trampeln

trampelt · trampelte · hat getrampelt

 Geen informele e-wegval mogelijk 

Engels trample, clump, galumph, lumber, stomp, tramp, tread, tromp

/ˈtʁamplən/ · /ˈtʁampəlt/ · /ˈtʁampəltə/ · /ɡəˈtʁampəlt/

mit den Füßen abwechselnd auf den Boden (oder eine andere Unterlage) stampfen; stampfen

(acc., vor+D)

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van trampeln (hat)

Tegenwoordige tijd

ich tramp(e)l(e)⁵
du trampelst
er trampelt
wir trampeln
ihr trampelt
sie trampeln

Onvoltooid verleden tijd

ich trampelte
du trampeltest
er trampelte
wir trampelten
ihr trampeltet
sie trampelten

Imperatief

-
tramp(e)l(e)⁵ (du)
-
trampeln wir
trampelt (ihr)
trampeln Sie

Konjunktief I

ich tramp(e)le
du trampelst
er tramp(e)le
wir trampeln
ihr trampelt
sie trampeln

Konjunktief II

ich trampelte
du trampeltest
er trampelte
wir trampelten
ihr trampeltet
sie trampelten

Infinitief

trampeln
zu trampeln

Deelwoord

trampelnd
getrampelt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord trampeln (hat) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich tramp(e)l(e)⁵
du trampelst
er trampelt
wir trampeln
ihr trampelt
sie trampeln

Onvoltooid verleden tijd

ich trampelte
du trampeltest
er trampelte
wir trampelten
ihr trampeltet
sie trampelten

Perfectum

ich habe getrampelt
du hast getrampelt
er hat getrampelt
wir haben getrampelt
ihr habt getrampelt
sie haben getrampelt

Volt. verl. tijd

ich hatte getrampelt
du hattest getrampelt
er hatte getrampelt
wir hatten getrampelt
ihr hattet getrampelt
sie hatten getrampelt

Toekomende tijd I

ich werde trampeln
du wirst trampeln
er wird trampeln
wir werden trampeln
ihr werdet trampeln
sie werden trampeln

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde getrampelt haben
du wirst getrampelt haben
er wird getrampelt haben
wir werden getrampelt haben
ihr werdet getrampelt haben
sie werden getrampelt haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord trampeln (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich tramp(e)le
du trampelst
er tramp(e)le
wir trampeln
ihr trampelt
sie trampeln

Konjunktief II

ich trampelte
du trampeltest
er trampelte
wir trampelten
ihr trampeltet
sie trampelten

Voltooid Konj.

ich habe getrampelt
du habest getrampelt
er habe getrampelt
wir haben getrampelt
ihr habet getrampelt
sie haben getrampelt

Konj. volt. verl. t.

ich hätte getrampelt
du hättest getrampelt
er hätte getrampelt
wir hätten getrampelt
ihr hättet getrampelt
sie hätten getrampelt

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde trampeln
du werdest trampeln
er werde trampeln
wir werden trampeln
ihr werdet trampeln
sie werden trampeln

Toek. volt. aanw.

ich werde getrampelt haben
du werdest getrampelt haben
er werde getrampelt haben
wir werden getrampelt haben
ihr werdet getrampelt haben
sie werden getrampelt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde trampeln
du würdest trampeln
er würde trampeln
wir würden trampeln
ihr würdet trampeln
sie würden trampeln

Verleden cond.

ich würde getrampelt haben
du würdest getrampelt haben
er würde getrampelt haben
wir würden getrampelt haben
ihr würdet getrampelt haben
sie würden getrampelt haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord trampeln (hat)


Tegenwoordige tijd

tramp(e)l(e)⁵ (du)
trampeln wir
trampelt (ihr)
trampeln Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor trampeln (hat)


Infinitief I


trampeln
zu trampeln

Infinitief II


getrampelt haben
getrampelt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


trampelnd

Participle II


getrampelt

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse trampeln (hat)


Duits trampeln (hat)
Engels trample, clump, galumph, lumber, stomp, tramp, tread, tromp
Russisch постучать ногами, потоптать, стучать ногами, топать, топнуть, топтать
Spaans patalear, pisotear, patear, trapalear, zancada
Frans piétiner, trépigner, taper, trépigner de
Turks basmak, çömelmek
Portugees andar ruidosamente, pisotear, trompear
Italiaans battere, battere i piedi, calpestare
Roemeens călca
Hongaars dobog, döngöl, lábnyomás, taposás, tipor
Pools tupać, stąpać, tupać nogami
Grieks πατάω, ποδοπατώ, σφίγγω, τσαλαπατώ
Nederlands stampen, trappen
Tsjechisch dupání, šlapat
Zweeds trampa, klampa, stampande
Deens trampe
Japans 足踏み, 踏み鳴らす
Catalaans picar, trepitjar
Fins jalkojen kanssa polkea, tallata
Noors trampe
Baskisch zapalduta, zapaltzea
Servisch kucati, stomakati
Macedonisch тапкање
Sloveens stomakati, tepsti
Slowaaks dupotať, stampať
Bosnisch kucati, stomakati
Kroatisch kucati, stomakati
Oekraïens потоптувати, топтати
Bulgaars стъпвам, тъпча
Wit-Russisch таптаць
Indonesisch menghentakkan kaki
Vietnamees dậm chân, giậm chân
Oezbeeks oyog'ini yerga urmoq
Hindi पाँव पटकना, पैर पटकना
Chinees 跺脚
Thais กระทืบเท้า, ย่ำเท้า
Koreaans 발을 구르다
Azerbeidzjaans ayaq döymək
Georgisch ფეხების დაბაკუნება
Bengaals পা ঠোকা
Albanees përplas këmbët
Marathi पाय आपटणे
Nepalees खुट्टा ठोक्नु
Telugu కాళ్లతో మోదడం
Lets stampāt
Tamil கால்களை இடித்தல்
Ests trampima
Armeens դոփել
Koerdisch pêdan, pêxistin
Hebreeuwsדריכה، טפיחה
Arabischدق، دوس
Perzischپامال، پامال کردن
Urduپاؤں سے ٹھوکر مارنا

trampeln (hat) in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van trampeln (hat)

  • mit schweren, stampfenden Schritten mehr oder weniger geräuschvoll gehen, ohne Rücksicht auf dadurch etwa entstehende Schäden, stampfen, poltern, stapfen, tappen
  • mit den Füßen abwechselnd auf den Boden (oder eine andere Unterlage) stampfen, stampfen
  • tapsen, stapfen, trapsen, geräuschvoll gehen

trampeln (hat) in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor trampeln (hat)


  • jemand/etwas trampelt vor etwas

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord trampeln vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord trampeln (hat)


De vervoeging van het werkwoord trampeln wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord trampeln is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (trampelt - trampelte - hat getrampelt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary trampeln en op trampeln in de Duden.

trampeln vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich tramp(e)l(e)trampeltetramp(e)letrampelte-
du trampelsttrampeltesttrampelsttrampeltesttramp(e)l(e)
er trampelttrampeltetramp(e)letrampelte-
wir trampelntrampeltentrampelntrampeltentrampeln
ihr trampelttrampeltettrampelttrampeltettrampelt
sie trampelntrampeltentrampelntrampeltentrampeln

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich tramp(e)l(e), du trampelst, er trampelt, wir trampeln, ihr trampelt, sie trampeln
  • Onvoltooid verleden tijd: ich trampelte, du trampeltest, er trampelte, wir trampelten, ihr trampeltet, sie trampelten
  • Perfectum: ich habe getrampelt, du hast getrampelt, er hat getrampelt, wir haben getrampelt, ihr habt getrampelt, sie haben getrampelt
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte getrampelt, du hattest getrampelt, er hatte getrampelt, wir hatten getrampelt, ihr hattet getrampelt, sie hatten getrampelt
  • Toekomende tijd I: ich werde trampeln, du wirst trampeln, er wird trampeln, wir werden trampeln, ihr werdet trampeln, sie werden trampeln
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde getrampelt haben, du wirst getrampelt haben, er wird getrampelt haben, wir werden getrampelt haben, ihr werdet getrampelt haben, sie werden getrampelt haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich tramp(e)le, du trampelst, er tramp(e)le, wir trampeln, ihr trampelt, sie trampeln
  • Onvoltooid verleden tijd: ich trampelte, du trampeltest, er trampelte, wir trampelten, ihr trampeltet, sie trampelten
  • Perfectum: ich habe getrampelt, du habest getrampelt, er habe getrampelt, wir haben getrampelt, ihr habet getrampelt, sie haben getrampelt
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte getrampelt, du hättest getrampelt, er hätte getrampelt, wir hätten getrampelt, ihr hättet getrampelt, sie hätten getrampelt
  • Toekomende tijd I: ich werde trampeln, du werdest trampeln, er werde trampeln, wir werden trampeln, ihr werdet trampeln, sie werden trampeln
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde getrampelt haben, du werdest getrampelt haben, er werde getrampelt haben, wir werden getrampelt haben, ihr werdet getrampelt haben, sie werden getrampelt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde trampeln, du würdest trampeln, er würde trampeln, wir würden trampeln, ihr würdet trampeln, sie würden trampeln
  • Voltooid verleden tijd: ich würde getrampelt haben, du würdest getrampelt haben, er würde getrampelt haben, wir würden getrampelt haben, ihr würdet getrampelt haben, sie würden getrampelt haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: tramp(e)l(e) (du), trampeln wir, trampelt (ihr), trampeln Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: trampeln, zu trampeln
  • Infinitief II: getrampelt haben, getrampelt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: trampelnd
  • Participle II: getrampelt

Opmerkingen



Inloggen

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: trampeln

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 289928, 289928