Vervoeging van het Duitse werkwoord weglügen ⟨Bijzin⟩

De vervoeging van het werkwoord weglügen (ontkennen, ontkennen door te liegen) is onregelmatig. De basisvormen zijn ... weglügt, ... weglog en ... weggelogen hat. De ablaut vindt plaats met de stamklinkers ü - o - o. Het hulpwerkwoord van weglügen is "haben". De eerste lettergreep weg- van weglügen is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Bijzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord weglügen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor weglügen. Je kunt niet alleen weglügen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Opmerkingen

onregelmatig · haben · scheidbaar

weg·lügen

... weglügt · ... weglog · ... weggelogen hat

 Verandering van de stamklinker  ü - o - o 

Engels lie away, lie something away

/ˈveːklyːɡn̩/ · /lyːkt veːk/ · /lɔk veːk/ · /ˈløːɡə veːk/ · /ˈveːkɡeˈloːɡn̩/

durch Lügen etwas ungeschehen machen

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van weglügen

Tegenwoordige tijd

... ich weglüg(e)⁵
... du weglügst
... er weglügt
... wir weglügen
... ihr weglügt
... sie weglügen

Onvoltooid verleden tijd

... ich weglog
... du weglogst
... er weglog
... wir weglogen
... ihr weglogt
... sie weglogen

Imperatief

-
lüg(e)⁵ (du) weg
-
lügen wir weg
lügt (ihr) weg
lügen Sie weg

Konjunktief I

... ich weglüge
... du weglügest
... er weglüge
... wir weglügen
... ihr weglüget
... sie weglügen

Konjunktief II

... ich weglöge
... du weglögest
... er weglöge
... wir weglögen
... ihr weglöget
... sie weglögen

Infinitief

weglügen
wegzulügen

Deelwoord

weglügend
weggelogen

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord weglügen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

... ich weglüg(e)⁵
... du weglügst
... er weglügt
... wir weglügen
... ihr weglügt
... sie weglügen

Onvoltooid verleden tijd

... ich weglog
... du weglogst
... er weglog
... wir weglogen
... ihr weglogt
... sie weglogen

Perfectum

... ich weggelogen habe
... du weggelogen hast
... er weggelogen hat
... wir weggelogen haben
... ihr weggelogen habt
... sie weggelogen haben

Volt. verl. tijd

... ich weggelogen hatte
... du weggelogen hattest
... er weggelogen hatte
... wir weggelogen hatten
... ihr weggelogen hattet
... sie weggelogen hatten

Toekomende tijd I

... ich weglügen werde
... du weglügen wirst
... er weglügen wird
... wir weglügen werden
... ihr weglügen werdet
... sie weglügen werden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

... ich weggelogen haben werde
... du weggelogen haben wirst
... er weggelogen haben wird
... wir weggelogen haben werden
... ihr weggelogen haben werdet
... sie weggelogen haben werden

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord weglügen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

... ich weglüge
... du weglügest
... er weglüge
... wir weglügen
... ihr weglüget
... sie weglügen

Konjunktief II

... ich weglöge
... du weglögest
... er weglöge
... wir weglögen
... ihr weglöget
... sie weglögen

Voltooid Konj.

... ich weggelogen habe
... du weggelogen habest
... er weggelogen habe
... wir weggelogen haben
... ihr weggelogen habet
... sie weggelogen haben

Konj. volt. verl. t.

... ich weggelogen hätte
... du weggelogen hättest
... er weggelogen hätte
... wir weggelogen hätten
... ihr weggelogen hättet
... sie weggelogen hätten

Toekomende aanvoegende wijs I

... ich weglügen werde
... du weglügen werdest
... er weglügen werde
... wir weglügen werden
... ihr weglügen werdet
... sie weglügen werden

Toek. volt. aanw.

... ich weggelogen haben werde
... du weggelogen haben werdest
... er weggelogen haben werde
... wir weggelogen haben werden
... ihr weggelogen haben werdet
... sie weggelogen haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

... ich weglügen würde
... du weglügen würdest
... er weglügen würde
... wir weglügen würden
... ihr weglügen würdet
... sie weglügen würden

Verleden cond.

... ich weggelogen haben würde
... du weggelogen haben würdest
... er weggelogen haben würde
... wir weggelogen haben würden
... ihr weggelogen haben würdet
... sie weggelogen haben würden

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord weglügen


Tegenwoordige tijd

lüg(e)⁵ (du) weg
lügen wir weg
lügt (ihr) weg
lügen Sie weg

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor weglügen


Infinitief I


weglügen
wegzulügen

Infinitief II


weggelogen haben
weggelogen zu haben

Tegenwoordig deelwoord


weglügend

Participle II


weggelogen

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse weglügen


Duits weglügen
Engels lie away, lie something away
Russisch извиниться, оправдаться
Spaans deshacer, mentir
Frans cacher, dissimuler
Turks yalanla örtmek
Italiaans falsificare, negare
Roemeens minciună
Hongaars eltüntetni, hazudni
Pools wymazać, zatuszować
Grieks αναίρεση με ψέματα
Nederlands ontkennen, ontkennen door te liegen
Tsjechisch lhát, zatajit
Zweeds förneka, ljuga bort
Deens benægte, fornekte
Japans 嘘で取り消す
Catalaans desfer, negar
Fins valheella kumota
Noors uskylde
Baskisch gezurrez, gezurrez egitea
Servisch izbeći, prevariti
Macedonisch излажување
Sloveens zatajevati
Slowaaks klamať, zatajiť
Bosnisch izbrisati lažima
Kroatisch izbrisati lažima
Oekraïens заперечення, заперечити
Bulgaars излъгвам, премахвам с лъжа
Wit-Russisch адмяніць, змяніць
Indonesisch membuat seolah-olah tidak terjadi dengan kebohongan, menutupi dengan kebohongan
Vietnamees che đậy bằng lời nói dối, xóa bỏ bằng lời nói dối
Oezbeeks yolg'on bilan bo'lmagandek ko'rsatmoq, yolg'on bilan yopib qo'ymoq
Hindi झूठ बोलकर मिटा देना, झूठ से ढक देना
Chinees 用谎言抹去, 用谎言掩盖
Thais โกหกกลบเกลื่อน, โกหกให้เหมือนไม่มีอะไรเกิดขึ้น
Koreaans 거짓말로 덮다, 거짓말로 없던 일로 만들다
Azerbeidzjaans yalanla baş verməmiş kimi göstərmək, yalanla üstünü örtmək
Georgisch ტყუილით არ მომხდარად გამოყვანა, ტყუილით დაფარვა
Bengaals মিথ্যা বলে এড়িয়ে দেওয়া, মিথ্যায় ঢেকে দেওয়া
Albanees mbuloj me gënjeshtra
Marathi खोटे बोलून घडलेच नाही असे करणे, खोट्याने झाकणे
Nepalees झूट बोल्दै नभएको जस्तो बनाउनु, झूटले ढाकछोप गर्नु
Telugu అబద్ధంతో లేనట్టుగా చేయడం, అబద్ధాలతో కప్పిపుచ్చడం
Lets samelojot padarīt par nebijušu
Tamil பொய்யால் நடந்ததே இல்லை எனச் செய்தல், பொய்யால் மறைத்தல்
Ests valedega kinni mätsida, valedega olematuks teha
Armeens սուտով ծածկել, սուտով չեղած դարձնել
Koerdisch bi derewê veşartin, bi derewê wekî nebûye nîşandan
Hebreeuwsלשקר
Arabischالكذب لإلغاء شيء
Perzischدروغ گفتن
Urduجھوٹ بول کر کچھ مٹا دینا

weglügen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van weglügen

  • durch Lügen etwas ungeschehen machen

weglügen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord weglügen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord weglügen


De vervoeging van het werkwoord weg·lügen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord weg·lügen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (... weglügt - ... weglog - ... weggelogen hat) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary weglügen en op weglügen in de Duden.

weglügen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ... weglüg(e)... weglog... weglüge... weglöge-
du ... weglügst... weglogst... weglügest... weglögestlüg(e) weg
er ... weglügt... weglog... weglüge... weglöge-
wir ... weglügen... weglogen... weglügen... weglögenlügen weg
ihr ... weglügt... weglogt... weglüget... weglögetlügt weg
sie ... weglügen... weglogen... weglügen... weglögenlügen weg

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich weglüg(e), ... du weglügst, ... er weglügt, ... wir weglügen, ... ihr weglügt, ... sie weglügen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich weglog, ... du weglogst, ... er weglog, ... wir weglogen, ... ihr weglogt, ... sie weglogen
  • Perfectum: ... ich weggelogen habe, ... du weggelogen hast, ... er weggelogen hat, ... wir weggelogen haben, ... ihr weggelogen habt, ... sie weggelogen haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich weggelogen hatte, ... du weggelogen hattest, ... er weggelogen hatte, ... wir weggelogen hatten, ... ihr weggelogen hattet, ... sie weggelogen hatten
  • Toekomende tijd I: ... ich weglügen werde, ... du weglügen wirst, ... er weglügen wird, ... wir weglügen werden, ... ihr weglügen werdet, ... sie weglügen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich weggelogen haben werde, ... du weggelogen haben wirst, ... er weggelogen haben wird, ... wir weggelogen haben werden, ... ihr weggelogen haben werdet, ... sie weggelogen haben werden

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich weglüge, ... du weglügest, ... er weglüge, ... wir weglügen, ... ihr weglüget, ... sie weglügen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich weglöge, ... du weglögest, ... er weglöge, ... wir weglögen, ... ihr weglöget, ... sie weglögen
  • Perfectum: ... ich weggelogen habe, ... du weggelogen habest, ... er weggelogen habe, ... wir weggelogen haben, ... ihr weggelogen habet, ... sie weggelogen haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich weggelogen hätte, ... du weggelogen hättest, ... er weggelogen hätte, ... wir weggelogen hätten, ... ihr weggelogen hättet, ... sie weggelogen hätten
  • Toekomende tijd I: ... ich weglügen werde, ... du weglügen werdest, ... er weglügen werde, ... wir weglügen werden, ... ihr weglügen werdet, ... sie weglügen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich weggelogen haben werde, ... du weggelogen haben werdest, ... er weggelogen haben werde, ... wir weggelogen haben werden, ... ihr weggelogen haben werdet, ... sie weggelogen haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich weglügen würde, ... du weglügen würdest, ... er weglügen würde, ... wir weglügen würden, ... ihr weglügen würdet, ... sie weglügen würden
  • Voltooid verleden tijd: ... ich weggelogen haben würde, ... du weggelogen haben würdest, ... er weggelogen haben würde, ... wir weggelogen haben würden, ... ihr weggelogen haben würdet, ... sie weggelogen haben würden

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: lüg(e) (du) weg, lügen wir weg, lügt (ihr) weg, lügen Sie weg

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: weglügen, wegzulügen
  • Infinitief II: weggelogen haben, weggelogen zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: weglügend
  • Participle II: weggelogen

Opmerkingen



Inloggen