Vervoeging van het Duitse werkwoord vorliegen (hat) ⟨Bijzin⟩

De vervoeging van het werkwoord vorliegen (aanwezig zijn, zich gedragen) is onregelmatig. De basisvormen zijn ... vorliegt, ... vorlag en ... vorgelegen hat. De ablaut vindt plaats met de stamklinkers ie - a - e. Het hulpwerkwoord van vorliegen is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De eerste lettergreep vor- van vorliegen is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Bijzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord vorliegen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor vorliegen. Je kunt niet alleen vorliegen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C1. Opmerkingen

haben
vor·liegen
sein
vor·liegen

C1 · onregelmatig · haben · scheidbaar

vor·liegen

... vorliegt · ... vorlag · ... vorgelegen hat

 Verandering van de stamklinker  ie - a - e 

Engels act, be available, be existent, be on hand, be present, behave, exist

/ˈfoːɐ̯ˌliːɡn̩/ · /liːkt foːɐ̯/ · /laːk foːɐ̯/ · /ˈlɛːɡə foːɐ̯/ · /foːɐ̯ɡəˈleːɡn̩/

physisch an einem Ort vorhanden sein; sich so verhalten; bestehen, existieren, vorhanden sein, sich um etwas handeln

(dat.)

» Es hat ein Missverständnis vorgelegen . Engels There's been a misunderstanding.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van vorliegen (hat)

Tegenwoordige tijd

... ich vorlieg(e)⁵
... du vorliegst
... er vorliegt
... wir vorliegen
... ihr vorliegt
... sie vorliegen

Onvoltooid verleden tijd

... ich vorlag
... du vorlagst
... er vorlag
... wir vorlagen
... ihr vorlagt
... sie vorlagen

Imperatief

-
lieg(e)⁵ (du) vor
-
liegen wir vor
liegt (ihr) vor
liegen Sie vor

Konjunktief I

... ich vorliege
... du vorliegest
... er vorliege
... wir vorliegen
... ihr vorlieget
... sie vorliegen

Konjunktief II

... ich vorläge
... du vorlägest
... er vorläge
... wir vorlägen
... ihr vorläget
... sie vorlägen

Infinitief

vorliegen
vorzuliegen

Deelwoord

vorliegend
vorgelegen

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord vorliegen (hat) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

... ich vorlieg(e)⁵
... du vorliegst
... er vorliegt
... wir vorliegen
... ihr vorliegt
... sie vorliegen

Onvoltooid verleden tijd

... ich vorlag
... du vorlagst
... er vorlag
... wir vorlagen
... ihr vorlagt
... sie vorlagen

Perfectum

... ich vorgelegen habe
... du vorgelegen hast
... er vorgelegen hat
... wir vorgelegen haben
... ihr vorgelegen habt
... sie vorgelegen haben

Volt. verl. tijd

... ich vorgelegen hatte
... du vorgelegen hattest
... er vorgelegen hatte
... wir vorgelegen hatten
... ihr vorgelegen hattet
... sie vorgelegen hatten

Toekomende tijd I

... ich vorliegen werde
... du vorliegen wirst
... er vorliegen wird
... wir vorliegen werden
... ihr vorliegen werdet
... sie vorliegen werden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

... ich vorgelegen haben werde
... du vorgelegen haben wirst
... er vorgelegen haben wird
... wir vorgelegen haben werden
... ihr vorgelegen haben werdet
... sie vorgelegen haben werden

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord vorliegen (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

... ich vorliege
... du vorliegest
... er vorliege
... wir vorliegen
... ihr vorlieget
... sie vorliegen

Konjunktief II

... ich vorläge
... du vorlägest
... er vorläge
... wir vorlägen
... ihr vorläget
... sie vorlägen

Voltooid Konj.

... ich vorgelegen habe
... du vorgelegen habest
... er vorgelegen habe
... wir vorgelegen haben
... ihr vorgelegen habet
... sie vorgelegen haben

Konj. volt. verl. t.

... ich vorgelegen hätte
... du vorgelegen hättest
... er vorgelegen hätte
... wir vorgelegen hätten
... ihr vorgelegen hättet
... sie vorgelegen hätten

Toekomende aanvoegende wijs I

... ich vorliegen werde
... du vorliegen werdest
... er vorliegen werde
... wir vorliegen werden
... ihr vorliegen werdet
... sie vorliegen werden

Toek. volt. aanw.

... ich vorgelegen haben werde
... du vorgelegen haben werdest
... er vorgelegen haben werde
... wir vorgelegen haben werden
... ihr vorgelegen haben werdet
... sie vorgelegen haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

... ich vorliegen würde
... du vorliegen würdest
... er vorliegen würde
... wir vorliegen würden
... ihr vorliegen würdet
... sie vorliegen würden

Verleden cond.

... ich vorgelegen haben würde
... du vorgelegen haben würdest
... er vorgelegen haben würde
... wir vorgelegen haben würden
... ihr vorgelegen haben würdet
... sie vorgelegen haben würden

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord vorliegen (hat)


Tegenwoordige tijd

lieg(e)⁵ (du) vor
liegen wir vor
liegt (ihr) vor
liegen Sie vor

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor vorliegen (hat)


Infinitief I


vorliegen
vorzuliegen

Infinitief II


vorgelegen haben
vorgelegen zu haben

Tegenwoordig deelwoord


vorliegend

Participle II


vorgelegen

  • Es hat ein Missverständnis vorgelegen . 
  • Hat ein Entschuldigungsschreiben vorgelegen ? 
  • Ich habe hier die Übersetzung des englischen Textes vorliegen . 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor vorliegen (hat)


  • Es hat ein Missverständnis vorgelegen . 
    Engels There's been a misunderstanding.
  • Hat ein Entschuldigungsschreiben vorgelegen ? 
    Engels Was there an apology letter?
  • Ich habe hier die Übersetzung des englischen Textes vorliegen . 
    Engels I have the translation of the English text here.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse vorliegen (hat)


Duits vorliegen (hat)
Engels exist, act, be available, be existent, be on hand, be present, behave
Russisch иметься, присутствовать, существовать, быть налицо, иметь место, наличествовать
Spaans existir, comportarse, estar presente
Frans exister, présent, se comporter, être présent
Turks bulunmak, mevcut olmak
Portugees agir, comportar-se, estar disponível, estar presente, existir
Italiaans essere disponibile, essere presente, comportarsi, esistere, essere reperibile, essere sottoposto a, sussistere
Roemeens exista, fi disponibil, fi prezent, se comporta
Hongaars jelen van, viselkedni
Pools być obecnym, być w danym stanie, istnieć
Grieks υπάρχω, παρουσιάζομαι, παρών, υπάρχων
Nederlands aanwezig zijn, zich gedragen
Tsjechisch být přítomen, chovat se, existovat
Zweeds föreligga, vara närvarande
Deens foreligge
Japans ある, 存在する
Catalaans comportar-se, estar present
Fins esittää, ilmoittaa, läsnä, olemassa
Noors foreligge, oppføre seg, være til stede
Baskisch egon, egon den, presentzia
Servisch biti prisutan, ponašati se, postojati
Macedonisch бити присутен, постапува
Sloveens biti na voljo, biti prisoten, obstajati
Slowaaks byť prítomný, existovať, správať sa
Bosnisch biti prisutan, ponašati se
Kroatisch biti dostupan, biti prisutan, ponašati se
Oekraïens бути наявним, поводитися, існувати
Bulgaars да се държи, наличен, присъстващ
Wit-Russisch быць, існаваць
Indonesisch berada di lokasi, berperilaku seperti itu
Vietnamees ở hiện trường, ứng xử như vậy
Oezbeeks joyda mavjud bo'lish, shunday xulq tutmoq
Hindi ऐसा बर्ताव करना, स्थल पर मौजूद होना
Chinees 在现场, 那样行事
Thais ทำตัวแบบนั้น, อยู่ในสถานที่
Koreaans 그렇게 행동하다, 현장에 있다
Azerbeidzjaans belə davranmaq, yerinde olmaq
Georgisch ადგილზე ყოფნა, ასე მოქცევა
Bengaals উপস্থিত থাকা, এমনভাবে আচরণ করা
Albanees ndodhet aty, të sillesh në atë mënyrë
Marathi अशा प्रकारे वागणे, स्थळावर उपस्थित असणे
Nepalees यस्तै व्यवहार गर्नु
Telugu అలా వ్యవహరించటం, స్థలంలో ఉండటం
Lets atrasties vietā, rīkoties tā
Tamil அந்த மாதிரி நடத்துவது, இடத்தில் இருக்கும்
Ests kohapeal olemas, käituma nii
Armeens այդպես վարվել, տեղում լինել
Koerdisch ev wisa davran, li wir bûn
Hebreeuwsלהתנהג، נוכח
Arabischحاضر، موجود، يتواجد، يظهر، وجَدَ توفَّر
Perzischحضور داشتن، موجود بودن، وجود داشتن
Urduموجود ہونا، پیش ہونا

vorliegen (hat) in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van vorliegen (hat)

  • physisch an einem Ort vorhanden sein, bestehen, existieren, vorhanden sein
  • sich so verhalten, bestehen, existieren, vorhanden sein, sich um etwas handeln
  • bereit daliegen, angekommen sein, da sein, existieren, vorhanden sein, bestehen

vorliegen (hat) in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord vorliegen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord vorliegen (hat)


De vervoeging van het werkwoord vor·liegen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord vor·liegen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (... vorliegt - ... vorlag - ... vorgelegen hat) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary vorliegen en op vorliegen in de Duden.

vorliegen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ... vorlieg(e)... vorlag... vorliege... vorläge-
du ... vorliegst... vorlagst... vorliegest... vorlägestlieg(e) vor
er ... vorliegt... vorlag... vorliege... vorläge-
wir ... vorliegen... vorlagen... vorliegen... vorlägenliegen vor
ihr ... vorliegt... vorlagt... vorlieget... vorlägetliegt vor
sie ... vorliegen... vorlagen... vorliegen... vorlägenliegen vor

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich vorlieg(e), ... du vorliegst, ... er vorliegt, ... wir vorliegen, ... ihr vorliegt, ... sie vorliegen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich vorlag, ... du vorlagst, ... er vorlag, ... wir vorlagen, ... ihr vorlagt, ... sie vorlagen
  • Perfectum: ... ich vorgelegen habe, ... du vorgelegen hast, ... er vorgelegen hat, ... wir vorgelegen haben, ... ihr vorgelegen habt, ... sie vorgelegen haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich vorgelegen hatte, ... du vorgelegen hattest, ... er vorgelegen hatte, ... wir vorgelegen hatten, ... ihr vorgelegen hattet, ... sie vorgelegen hatten
  • Toekomende tijd I: ... ich vorliegen werde, ... du vorliegen wirst, ... er vorliegen wird, ... wir vorliegen werden, ... ihr vorliegen werdet, ... sie vorliegen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich vorgelegen haben werde, ... du vorgelegen haben wirst, ... er vorgelegen haben wird, ... wir vorgelegen haben werden, ... ihr vorgelegen haben werdet, ... sie vorgelegen haben werden

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich vorliege, ... du vorliegest, ... er vorliege, ... wir vorliegen, ... ihr vorlieget, ... sie vorliegen
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich vorläge, ... du vorlägest, ... er vorläge, ... wir vorlägen, ... ihr vorläget, ... sie vorlägen
  • Perfectum: ... ich vorgelegen habe, ... du vorgelegen habest, ... er vorgelegen habe, ... wir vorgelegen haben, ... ihr vorgelegen habet, ... sie vorgelegen haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich vorgelegen hätte, ... du vorgelegen hättest, ... er vorgelegen hätte, ... wir vorgelegen hätten, ... ihr vorgelegen hättet, ... sie vorgelegen hätten
  • Toekomende tijd I: ... ich vorliegen werde, ... du vorliegen werdest, ... er vorliegen werde, ... wir vorliegen werden, ... ihr vorliegen werdet, ... sie vorliegen werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich vorgelegen haben werde, ... du vorgelegen haben werdest, ... er vorgelegen haben werde, ... wir vorgelegen haben werden, ... ihr vorgelegen haben werdet, ... sie vorgelegen haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich vorliegen würde, ... du vorliegen würdest, ... er vorliegen würde, ... wir vorliegen würden, ... ihr vorliegen würdet, ... sie vorliegen würden
  • Voltooid verleden tijd: ... ich vorgelegen haben würde, ... du vorgelegen haben würdest, ... er vorgelegen haben würde, ... wir vorgelegen haben würden, ... ihr vorgelegen haben würdet, ... sie vorgelegen haben würden

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: lieg(e) (du) vor, liegen wir vor, liegt (ihr) vor, liegen Sie vor

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: vorliegen, vorzuliegen
  • Infinitief II: vorgelegen haben, vorgelegen zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: vorliegend
  • Participle II: vorgelegen

Opmerkingen



Inloggen

⁹ Zuid-Duitsland

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: vorliegen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 738028, 738028

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 3531356

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 738028, 4538