Vervoeging van het Duitse werkwoord schweben (hat) ⟨Bijzin⟩

De vervoeging van het werkwoord schweben (zweven, drijven) is regelmatig. De basisvormen zijn ... schwebt, ... schwebte en ... geschwebt hat. Het hulpwerkwoord van schweben is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Bijzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord schweben beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor schweben. Je kunt niet alleen schweben vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C1. Opmerkingen

haben
schweben
sein
schweben

C1 · regelmatig · haben

schweben

... schwebt · ... schwebte · ... geschwebt hat

Engels hover, float, glide, be in danger, linger, remain undecided, soar, swim

/ˈʃveːbən/ · /ˈʃveːpt/ · /ˈʃveːptə/ · /ɡəˈʃveːpt/

in einem Medium treiben; langsam fliegen, sich langsam durch die Luft bewegen; treiben, schwimmen

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van schweben (hat)

Tegenwoordige tijd

... ich schweb(e)⁵
... du schwebst
... er schwebt
... wir schweben
... ihr schwebt
... sie schweben

Onvoltooid verleden tijd

... ich schwebte
... du schwebtest
... er schwebte
... wir schwebten
... ihr schwebtet
... sie schwebten

Imperatief

-
schweb(e)⁵ (du)
-
schweben wir
schwebt (ihr)
schweben Sie

Konjunktief I

... ich schwebe
... du schwebest
... er schwebe
... wir schweben
... ihr schwebet
... sie schweben

Konjunktief II

... ich schwebte
... du schwebtest
... er schwebte
... wir schwebten
... ihr schwebtet
... sie schwebten

Infinitief

schweben
zu schweben

Deelwoord

schwebend
geschwebt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord schweben (hat) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

... ich schweb(e)⁵
... du schwebst
... er schwebt
... wir schweben
... ihr schwebt
... sie schweben

Onvoltooid verleden tijd

... ich schwebte
... du schwebtest
... er schwebte
... wir schwebten
... ihr schwebtet
... sie schwebten

Perfectum

... ich geschwebt habe
... du geschwebt hast
... er geschwebt hat
... wir geschwebt haben
... ihr geschwebt habt
... sie geschwebt haben

Volt. verl. tijd

... ich geschwebt hatte
... du geschwebt hattest
... er geschwebt hatte
... wir geschwebt hatten
... ihr geschwebt hattet
... sie geschwebt hatten

Toekomende tijd I

... ich schweben werde
... du schweben wirst
... er schweben wird
... wir schweben werden
... ihr schweben werdet
... sie schweben werden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

... ich geschwebt haben werde
... du geschwebt haben wirst
... er geschwebt haben wird
... wir geschwebt haben werden
... ihr geschwebt haben werdet
... sie geschwebt haben werden

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord schweben (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

... ich schwebe
... du schwebest
... er schwebe
... wir schweben
... ihr schwebet
... sie schweben

Konjunktief II

... ich schwebte
... du schwebtest
... er schwebte
... wir schwebten
... ihr schwebtet
... sie schwebten

Voltooid Konj.

... ich geschwebt habe
... du geschwebt habest
... er geschwebt habe
... wir geschwebt haben
... ihr geschwebt habet
... sie geschwebt haben

Konj. volt. verl. t.

... ich geschwebt hätte
... du geschwebt hättest
... er geschwebt hätte
... wir geschwebt hätten
... ihr geschwebt hättet
... sie geschwebt hätten

Toekomende aanvoegende wijs I

... ich schweben werde
... du schweben werdest
... er schweben werde
... wir schweben werden
... ihr schweben werdet
... sie schweben werden

Toek. volt. aanw.

... ich geschwebt haben werde
... du geschwebt haben werdest
... er geschwebt haben werde
... wir geschwebt haben werden
... ihr geschwebt haben werdet
... sie geschwebt haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

... ich schweben würde
... du schweben würdest
... er schweben würde
... wir schweben würden
... ihr schweben würdet
... sie schweben würden

Verleden cond.

... ich geschwebt haben würde
... du geschwebt haben würdest
... er geschwebt haben würde
... wir geschwebt haben würden
... ihr geschwebt haben würdet
... sie geschwebt haben würden

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord schweben (hat)


Tegenwoordige tijd

schweb(e)⁵ (du)
schweben wir
schwebt (ihr)
schweben Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor schweben (hat)


Infinitief I


schweben
zu schweben

Infinitief II


geschwebt haben
geschwebt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


schwebend

Participle II


geschwebt

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse schweben (hat)


Duits schweben (hat)
Engels hover, float, glide, be in danger, linger, remain undecided, soar, swim
Russisch парить, висеть, витать, колебаться, плавать, плавно лететь
Spaans flotar, suspender, cernerse, cernirse, levitar, planear
Frans flotter, planer, indécis, nager, suspendre, suspendu
Turks havada durmak, havada süzülmek, kararsız olmak, süzülmek, tehlikede olmak, yüzmek
Portugees pairar, flutuar
Italiaans essere in pericolo, essere indeciso, essere sospeso, fluttuare, galleggiare, librarsi, sospendere, sospendersi
Roemeens suspenda, pluti, fi în pericol, fi în suspensie
Hongaars függőben van, lebeg, lebegni, függni, suhanni, szabadon lebeg, száll, súlytalanságban
Pools unosić się, być w niebezpieczeństwie, być w toku, dryfować, latać powoli, latać w miejscu, toczyć się, wahać się
Grieks αιωρούμαι, αιωρείται, κρέμομαι, πετάει αργά, πλέω
Nederlands zweven, drijven, onbeslist zijn
Tsjechisch vznášet se, plout
Zweeds sväva, flyta, hänga, osäker
Deens svæve, flyde, være usikker
Japans 漂う, 浮遊する, 危険にさらされる, 未決定, 浮かぶ
Catalaans suspendre, flotar, pendre, perill
Fins kellua, leijua
Noors flyte, sveve, svømme, henge
Baskisch arriskuan egon, diztut, float, hegan, hegan ibili, suspend
Servisch lebdeti, лебдети, plutati, lepršati, neodlučan, visiti
Macedonisch лебдење, бити во опасност, лет, леткање, неодлучен, плување
Sloveens plavati, biti v nevarnosti, lebdeti, neodločen
Slowaaks vznášať sa, byť nejasný, byť v nebezpečenstve, plávať
Bosnisch plutati, biti u opasnosti, lebdeti, neodlučan
Kroatisch plutati, biti u opasnosti, lebdeti, neodlučan
Oekraïens плавати, коливатися, літати, парити, плавно рухатися в повітрі, повільно літати, під загрозою
Bulgaars висене, витая, в опасност, неопределеност, плавно летене, плувам
Wit-Russisch павольна лятаць, вісіць, знаходзіцца ў небяспецы, не вырашаны, павольна плыць, павольна рухацца ў паветры, павісіць, плаваць
Indonesisch melayang, belum diputuskan, berada dalam bahaya, melayang-layang, mengapung
Vietnamees lơ lửng, gặp nguy hiểm, lượn, nổi, vẫn chưa quyết định
Oezbeeks belgilanmagan bo'lish, hal qilinmagan, hover qilmoq, muallaq turmoq, suzib yurmoq, xavfda bo'lish
Hindi अनिर्णय में रहना, अनिर्णीत रहना, खतरे में होना, तैरना, मंडराना, हॉवर करना
Chinees 处于危险中, 尚未决定, 悬停, 悬浮, 漂浮, 飘荡
Thais ยังไม่ตัดสินใจ, ลอย, ลอยอยู่กับที่, ล่องลอย, อยู่ในอันตราย
Koreaans 결정되지 않다, 떠다니다, 미정이다, 부유하다, 위험에 처하다, 호버하다
Azerbeidzjaans asılı qalmaq, hover etmək, hələ müəyyənləşməmişdir, süzülmək, təhlükədə olmaq
Georgisch საფრთხეში ყოფნა, ტივტივება, ფარფატება, ჯერ გადაწყვეტილი არაა, ჰოვერება
Bengaals এখনও সিদ্ধান্তহীন, খতরে থাকা, ভাসা, মণ্ডরানো, হোভার করা
Albanees ende i pa vendosur, hoveroj, rri pezull, të jesh në rrezik
Marathi अनिर्णीत राहणे, तरंगणे, तैरणे, धोक्यात असणे, हॉवर करणे
Nepalees अझै निर्णय भकेको छैन, जोखिममा हुनु, तैरिनु, मडारिनु, होभर गर्नु
Telugu ఇప్పటివరకు నిర్ణయించబడలేదు, తేలడం, ప్రమాదంలో ఉండటం, మండరించు, హోవర్ చేయడం
Lets būt briesmās, hoverēt, lidināties, nav izlemts, planēt, plūdēt, vēl nav izlemts
Tamil ஆபத்தில் இருக்குகிறது, இதுவரை தீர்மானிக்கப்படவில்லை, மிதத்தல், ஹோவர் செய்ய
Ests hädas olema, hõljuma, liuglema, veel otsustamata
Armeens թեւածել, հովերել, չի որոշված, սավառնել, վտանգի մեջ լինել
Koerdisch biryar nedane, di xetere de bûn, hover kirin, lewitîn
Hebreeuwsמרחף، לא החלטי، עף לאט، שוחה، שוקע
Arabischغير محدد، معلق، يحلّق، يطفو، يعلق، يعلو، يكون في خطر
Perzischدر حال تعلیق بودن، در خطر بودن، شناور بودن، شناور شدن، معلق بودن، پرواز آرام، پرواز کردن
Urduاڑنا، تھرنا، خطرے میں ہونا، غیر فیصلہ کن، ہلنا، ہلکا پھلکا اڑنا، ہوا میں آہستہ آہستہ حرکت کرنا، ہوا میں تیرنا

schweben (hat) in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van schweben (hat)

  • in einem Medium treiben, langsam fliegen, sich langsam durch die Luft bewegen, treiben, schwimmen
  • noch nicht entschieden sein
  • in Gefahr sein
  • frei hängen, im Ungewissen lassen, hängen lassen, segeln, fliegen, gleiten

schweben (hat) in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord schweben vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord schweben (hat)


De vervoeging van het werkwoord schweben wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord schweben is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (... schwebt - ... schwebte - ... geschwebt hat) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary schweben en op schweben in de Duden.

schweben vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ... schweb(e)... schwebte... schwebe... schwebte-
du ... schwebst... schwebtest... schwebest... schwebtestschweb(e)
er ... schwebt... schwebte... schwebe... schwebte-
wir ... schweben... schwebten... schweben... schwebtenschweben
ihr ... schwebt... schwebtet... schwebet... schwebtetschwebt
sie ... schweben... schwebten... schweben... schwebtenschweben

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich schweb(e), ... du schwebst, ... er schwebt, ... wir schweben, ... ihr schwebt, ... sie schweben
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich schwebte, ... du schwebtest, ... er schwebte, ... wir schwebten, ... ihr schwebtet, ... sie schwebten
  • Perfectum: ... ich geschwebt habe, ... du geschwebt hast, ... er geschwebt hat, ... wir geschwebt haben, ... ihr geschwebt habt, ... sie geschwebt haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich geschwebt hatte, ... du geschwebt hattest, ... er geschwebt hatte, ... wir geschwebt hatten, ... ihr geschwebt hattet, ... sie geschwebt hatten
  • Toekomende tijd I: ... ich schweben werde, ... du schweben wirst, ... er schweben wird, ... wir schweben werden, ... ihr schweben werdet, ... sie schweben werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich geschwebt haben werde, ... du geschwebt haben wirst, ... er geschwebt haben wird, ... wir geschwebt haben werden, ... ihr geschwebt haben werdet, ... sie geschwebt haben werden

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich schwebe, ... du schwebest, ... er schwebe, ... wir schweben, ... ihr schwebet, ... sie schweben
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich schwebte, ... du schwebtest, ... er schwebte, ... wir schwebten, ... ihr schwebtet, ... sie schwebten
  • Perfectum: ... ich geschwebt habe, ... du geschwebt habest, ... er geschwebt habe, ... wir geschwebt haben, ... ihr geschwebt habet, ... sie geschwebt haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich geschwebt hätte, ... du geschwebt hättest, ... er geschwebt hätte, ... wir geschwebt hätten, ... ihr geschwebt hättet, ... sie geschwebt hätten
  • Toekomende tijd I: ... ich schweben werde, ... du schweben werdest, ... er schweben werde, ... wir schweben werden, ... ihr schweben werdet, ... sie schweben werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich geschwebt haben werde, ... du geschwebt haben werdest, ... er geschwebt haben werde, ... wir geschwebt haben werden, ... ihr geschwebt haben werdet, ... sie geschwebt haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich schweben würde, ... du schweben würdest, ... er schweben würde, ... wir schweben würden, ... ihr schweben würdet, ... sie schweben würden
  • Voltooid verleden tijd: ... ich geschwebt haben würde, ... du geschwebt haben würdest, ... er geschwebt haben würde, ... wir geschwebt haben würden, ... ihr geschwebt haben würdet, ... sie geschwebt haben würden

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: schweb(e) (du), schweben wir, schwebt (ihr), schweben Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: schweben, zu schweben
  • Infinitief II: geschwebt haben, geschwebt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: schwebend
  • Participle II: geschwebt

Opmerkingen



Inloggen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 17426, 17426, 17426, 17426, 17426

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: schweben