Vervoeging van het Duitse werkwoord befingern ⟨Bijzin⟩

De vervoeging van het werkwoord befingern (aftasten, betasten) is regelmatig. De basisvormen zijn ... befingert, ... befingerte en ... befingert hat. Het hulpwerkwoord van befingern is "haben". Het voorvoegsel be- van befingern is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Bijzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord befingern beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor befingern. Je kunt niet alleen befingern vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

C2 · regelmatig · haben · onlosmakelijk

befingern

... befingert · ... befingerte · ... befingert hat

 Geen informele e-wegval mogelijk 

Engels handle, accomplish, complete, feel up, finger, grab, grope, touch

/bəˈfɪŋɐn/ · /bəˈfɪŋɐt/ · /bəˈfɪŋɐtə/ · /bəˈfɪŋɐt/

mit den Fingern berühren, oft auf probende oder auch zudringliche Weise; erledigen; anfassen, betatschen, befühlen, begrapschen

(acc.)

» Er hob die Hand und befingerte die Brosche. Engels He raised his hand and touched the brooch.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van befingern

Tegenwoordige tijd

... ich befing(e)⁴r(e)⁵
... du befingerst
... er befingert
... wir befingern
... ihr befingert
... sie befingern

Onvoltooid verleden tijd

... ich befingerte
... du befingertest
... er befingerte
... wir befingerten
... ihr befingertet
... sie befingerten

Imperatief

-
befing(e)⁴r(e)⁵ (du)
-
befingern wir
befingert (ihr)
befingern Sie

Konjunktief I

... ich befing(e)⁴re
... du befingerst
... er befing(e)⁴re
... wir befingern
... ihr befingert
... sie befingern

Konjunktief II

... ich befingerte
... du befingertest
... er befingerte
... wir befingerten
... ihr befingertet
... sie befingerten

Infinitief

befingern
zu befingern

Deelwoord

befingernd
befingert

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord befingern vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

... ich befing(e)⁴r(e)⁵
... du befingerst
... er befingert
... wir befingern
... ihr befingert
... sie befingern

Onvoltooid verleden tijd

... ich befingerte
... du befingertest
... er befingerte
... wir befingerten
... ihr befingertet
... sie befingerten

Perfectum

... ich befingert habe
... du befingert hast
... er befingert hat
... wir befingert haben
... ihr befingert habt
... sie befingert haben

Volt. verl. tijd

... ich befingert hatte
... du befingert hattest
... er befingert hatte
... wir befingert hatten
... ihr befingert hattet
... sie befingert hatten

Toekomende tijd I

... ich befingern werde
... du befingern wirst
... er befingern wird
... wir befingern werden
... ihr befingern werdet
... sie befingern werden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

... ich befingert haben werde
... du befingert haben wirst
... er befingert haben wird
... wir befingert haben werden
... ihr befingert haben werdet
... sie befingert haben werden

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Er hob die Hand und befingerte die Brosche. 
  • Erst als das Tor geschlossen ist, streichelt und befingert sie ihn und will ihn nicht mehr loslassen. 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord befingern in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

... ich befing(e)⁴re
... du befingerst
... er befing(e)⁴re
... wir befingern
... ihr befingert
... sie befingern

Konjunktief II

... ich befingerte
... du befingertest
... er befingerte
... wir befingerten
... ihr befingertet
... sie befingerten

Voltooid Konj.

... ich befingert habe
... du befingert habest
... er befingert habe
... wir befingert haben
... ihr befingert habet
... sie befingert haben

Konj. volt. verl. t.

... ich befingert hätte
... du befingert hättest
... er befingert hätte
... wir befingert hätten
... ihr befingert hättet
... sie befingert hätten

Toekomende aanvoegende wijs I

... ich befingern werde
... du befingern werdest
... er befingern werde
... wir befingern werden
... ihr befingern werdet
... sie befingern werden

Toek. volt. aanw.

... ich befingert haben werde
... du befingert haben werdest
... er befingert haben werde
... wir befingert haben werden
... ihr befingert haben werdet
... sie befingert haben werden

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

... ich befingern würde
... du befingern würdest
... er befingern würde
... wir befingern würden
... ihr befingern würdet
... sie befingern würden

Verleden cond.

... ich befingert haben würde
... du befingert haben würdest
... er befingert haben würde
... wir befingert haben würden
... ihr befingert haben würdet
... sie befingert haben würden

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord befingern


Tegenwoordige tijd

befing(e)⁴r(e)⁵ (du)
befingern wir
befingert (ihr)
befingern Sie

⁴ Gebruik zelden of ongebruikelijk⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor befingern


Infinitief I


befingern
zu befingern

Infinitief II


befingert haben
befingert zu haben

Tegenwoordig deelwoord


befingernd

Participle II


befingert

  • Erst als das Tor geschlossen ist, streichelt und befingert sie ihn und will ihn nicht mehr loslassen. 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor befingern


  • Er hob die Hand und befingerte die Brosche. 
    Engels He raised his hand and touched the brooch.
  • Erst als das Tor geschlossen ist, streichelt und befingert sie ihn und will ihn nicht mehr loslassen. 
    Engels Only when the gate is closed does she stroke and touch him and not want to let him go.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse befingern


Duits befingern
Engels handle, accomplish, complete, feel up, finger, grab, grope, touch
Russisch выполнить, осуществить, прикоснуться, щупать
Spaans manosear, completar, meter mano, resolver, sobar, tocar, toquetear
Frans accomplir, palper, terminer, toucher, tripoter
Turks dokunmak, elleştirmek, halletmek, mıncıklamak, tamamlamak
Portugees apalpar, concluir, resolver, tocar
Italiaans toccare, completare, manipolare, palpare, sbrigare, tastare
Roemeens atinge, finaliza, mângâie, rezolva
Hongaars elintéz, tapogatni, érinteni
Pools dotykać, maczać, obmacać, obmacywać, omacać, omacywać, pomacać, wykonać
Grieks αγγίζω, ψηλαφώ
Nederlands aftasten, betasten, afhandelen, bepotelen, bevingeren, verrichten
Tsjechisch dotýkat se, osahávat, vyřídit, zvládnout
Zweeds avsluta, beröra, känna på, utföra
Deens afslutte, befingre, berøre, ordne, røre ved
Japans さわる, 処理する, 完了する, 触れる
Catalaans completar, palpar, realitzar, tocar
Fins hoitaa, kosketella, sormeilla, sormilla, suorittaa
Noors berøre, fullføre, gjøre, ta på
Baskisch toka, ukitu
Servisch dodirivati, obaviti, pipati, završiti
Macedonisch допирање, завршува, пипање
Sloveens dotikati se, prijemati
Slowaaks dotýkať sa, prezrieť, vykonať, zrealizovať
Bosnisch dodirivati, obaviti, pipati, završiti
Kroatisch dodirivati, obaviti, pipati, završiti
Oekraïens виконати, доторкатися, завершити, проводити пальцями
Bulgaars докосвам, завършвам, изпълнявам, пипам
Wit-Russisch выконваць, дотык, завяршаць
Indonesisch melakukan, menyelesaikan, menyentuh dengan jari
Vietnamees hoàn thành, sờ bằng ngón tay, thực hiện
Oezbeeks bajarmoq, barmoqlar bilan tegmoq
Hindi ऊँगलियों से छूना, करना, निपटना
Chinees 处理, 完成, 用手指触摸
Thais ดำเนินการ, ทำ, สัมผัสด้วยนิ้ว
Koreaans 손가락으로 만지다, 처리하다, 해내다
Azerbeidzjaans barmaqlarla toxunmaq, icra etmek, yerinə yetirmək
Georgisch შესრულება, შეხება თითებით
Bengaals আঙুলে ছোঁয়া, করা, সমাপ্ত করা
Albanees bëj, kryej, prek me gishtërinj
Marathi करणे, बोटांनी स्पर्श करणे, संपवणे
Nepalees औँलाले छुनु, गर्नु
Telugu చేయడం, పూర్తి చేయడం
Lets izpildīt, pabeigt, pieskarties ar pirkstiem
Tamil செய்ய, விரலால் தொடுதல்
Ests lõpetama, sõrmedega puudutada, teostama
Armeens կատարել, հպել մատներով
Koerdisch kirin
Hebreeuwsלגעת، לטפל، ללטף
Arabischإنجاز، تحسس، تنفيذ، لمس
Perzischانجام دادن، حل کردن، لمس کردن
Urduحل کرنا، مکمل کرنا، چھونا، چھیڑنا

befingern in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van befingern

  • mit den Fingern berühren, oft auf probende oder auch zudringliche Weise, erledigen, anfassen, betatschen, befühlen, begrapschen

befingern in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord befingern vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord befingern


De vervoeging van het werkwoord befingern wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord befingern is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (... befingert - ... befingerte - ... befingert hat) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary befingern en op befingern in de Duden.

befingern vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ... befing(e)r(e)... befingerte... befing(e)re... befingerte-
du ... befingerst... befingertest... befingerst... befingertestbefing(e)r(e)
er ... befingert... befingerte... befing(e)re... befingerte-
wir ... befingern... befingerten... befingern... befingertenbefingern
ihr ... befingert... befingertet... befingert... befingertetbefingert
sie ... befingern... befingerten... befingern... befingertenbefingern

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich befing(e)r(e), ... du befingerst, ... er befingert, ... wir befingern, ... ihr befingert, ... sie befingern
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich befingerte, ... du befingertest, ... er befingerte, ... wir befingerten, ... ihr befingertet, ... sie befingerten
  • Perfectum: ... ich befingert habe, ... du befingert hast, ... er befingert hat, ... wir befingert haben, ... ihr befingert habt, ... sie befingert haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich befingert hatte, ... du befingert hattest, ... er befingert hatte, ... wir befingert hatten, ... ihr befingert hattet, ... sie befingert hatten
  • Toekomende tijd I: ... ich befingern werde, ... du befingern wirst, ... er befingern wird, ... wir befingern werden, ... ihr befingern werdet, ... sie befingern werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich befingert haben werde, ... du befingert haben wirst, ... er befingert haben wird, ... wir befingert haben werden, ... ihr befingert haben werdet, ... sie befingert haben werden

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich befing(e)re, ... du befingerst, ... er befing(e)re, ... wir befingern, ... ihr befingert, ... sie befingern
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich befingerte, ... du befingertest, ... er befingerte, ... wir befingerten, ... ihr befingertet, ... sie befingerten
  • Perfectum: ... ich befingert habe, ... du befingert habest, ... er befingert habe, ... wir befingert haben, ... ihr befingert habet, ... sie befingert haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich befingert hätte, ... du befingert hättest, ... er befingert hätte, ... wir befingert hätten, ... ihr befingert hättet, ... sie befingert hätten
  • Toekomende tijd I: ... ich befingern werde, ... du befingern werdest, ... er befingern werde, ... wir befingern werden, ... ihr befingern werdet, ... sie befingern werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich befingert haben werde, ... du befingert haben werdest, ... er befingert haben werde, ... wir befingert haben werden, ... ihr befingert haben werdet, ... sie befingert haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich befingern würde, ... du befingern würdest, ... er befingern würde, ... wir befingern würden, ... ihr befingern würdet, ... sie befingern würden
  • Voltooid verleden tijd: ... ich befingert haben würde, ... du befingert haben würdest, ... er befingert haben würde, ... wir befingert haben würden, ... ihr befingert haben würdet, ... sie befingert haben würden

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: befing(e)r(e) (du), befingern wir, befingert (ihr), befingern Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: befingern, zu befingern
  • Infinitief II: befingert haben, befingert zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: befingernd
  • Participle II: befingert

Opmerkingen



Inloggen

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 597345

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: befingern

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 597345