Vervoeging van het Duitse werkwoord herauffahren

De vervoeging van het werkwoord herauffahren (in bedrijf stellen, omhoog rijden) is onregelmatig. De basisvormen zijn fährt herauf, fuhr herauf en hat heraufgefahren. De ablaut vindt plaats met de stamklinkers a - u - a. Het hulpwerkwoord van herauffahren is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De eerste lettergreep herauf- van herauffahren is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord herauffahren beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor herauffahren. Je kunt niet alleen herauffahren vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

haben
herauf·fahren
sein
herauf·fahren

C2 · onregelmatig · haben · scheidbaar

herauf·fahren

fährt herauf · fuhr herauf · hat heraufgefahren

 Verandering van de stamklinker  a - u - a   Umlauten in de tegenwoordige tijd 

Engels activate, bring up, commission, drive up

/heˈʁaʊ̯fˌfaːʁən/ · /fɛːɐ̯t heˈʁaʊ̯f/ · /fuːɐ̯ heˈʁaʊ̯f/ · /ˈfyːʁə heˈʁaʊ̯f/ · /heˈʁaʊ̯fɡəˌfaːʁən/

etwas, jemanden von dort unten nach hier oben fahren; eine Anlage/ein Kraftwerk in Betrieb nehmen; hochfahren, erhöhen

acc.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van herauffahren

Tegenwoordige tijd

ich fahr(e)⁵ herauf
du fährst herauf
er fährt herauf
wir fahren herauf
ihr fahrt herauf
sie fahren herauf

Onvoltooid verleden tijd

ich fuhr herauf
du fuhrst herauf
er fuhr herauf
wir fuhren herauf
ihr fuhrt herauf
sie fuhren herauf

Imperatief

-
fahr(e)⁵ (du) herauf
-
fahren wir herauf
fahrt (ihr) herauf
fahren Sie herauf

Konjunktief I

ich fahre herauf
du fahrest herauf
er fahre herauf
wir fahren herauf
ihr fahret herauf
sie fahren herauf

Konjunktief II

ich führe herauf
du führest herauf
er führe herauf
wir führen herauf
ihr führet herauf
sie führen herauf

Infinitief

herauffahren
heraufzufahren

Deelwoord

herauffahrend
heraufgefahren

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord herauffahren vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich fahr(e)⁵ herauf
du fährst herauf
er fährt herauf
wir fahren herauf
ihr fahrt herauf
sie fahren herauf

Onvoltooid verleden tijd

ich fuhr herauf
du fuhrst herauf
er fuhr herauf
wir fuhren herauf
ihr fuhrt herauf
sie fuhren herauf

Perfectum

ich habe heraufgefahren
du hast heraufgefahren
er hat heraufgefahren
wir haben heraufgefahren
ihr habt heraufgefahren
sie haben heraufgefahren

Volt. verl. tijd

ich hatte heraufgefahren
du hattest heraufgefahren
er hatte heraufgefahren
wir hatten heraufgefahren
ihr hattet heraufgefahren
sie hatten heraufgefahren

Toekomende tijd I

ich werde herauffahren
du wirst herauffahren
er wird herauffahren
wir werden herauffahren
ihr werdet herauffahren
sie werden herauffahren

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde heraufgefahren haben
du wirst heraufgefahren haben
er wird heraufgefahren haben
wir werden heraufgefahren haben
ihr werdet heraufgefahren haben
sie werden heraufgefahren haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord herauffahren in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich fahre herauf
du fahrest herauf
er fahre herauf
wir fahren herauf
ihr fahret herauf
sie fahren herauf

Konjunktief II

ich führe herauf
du führest herauf
er führe herauf
wir führen herauf
ihr führet herauf
sie führen herauf

Voltooid Konj.

ich habe heraufgefahren
du habest heraufgefahren
er habe heraufgefahren
wir haben heraufgefahren
ihr habet heraufgefahren
sie haben heraufgefahren

Konj. volt. verl. t.

ich hätte heraufgefahren
du hättest heraufgefahren
er hätte heraufgefahren
wir hätten heraufgefahren
ihr hättet heraufgefahren
sie hätten heraufgefahren

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde herauffahren
du werdest herauffahren
er werde herauffahren
wir werden herauffahren
ihr werdet herauffahren
sie werden herauffahren

Toek. volt. aanw.

ich werde heraufgefahren haben
du werdest heraufgefahren haben
er werde heraufgefahren haben
wir werden heraufgefahren haben
ihr werdet heraufgefahren haben
sie werden heraufgefahren haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde herauffahren
du würdest herauffahren
er würde herauffahren
wir würden herauffahren
ihr würdet herauffahren
sie würden herauffahren

Verleden cond.

ich würde heraufgefahren haben
du würdest heraufgefahren haben
er würde heraufgefahren haben
wir würden heraufgefahren haben
ihr würdet heraufgefahren haben
sie würden heraufgefahren haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord herauffahren


Tegenwoordige tijd

fahr(e)⁵ (du) herauf
fahren wir herauf
fahrt (ihr) herauf
fahren Sie herauf

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor herauffahren


Infinitief I


herauffahren
heraufzufahren

Infinitief II


heraufgefahren haben
heraufgefahren zu haben

Tegenwoordig deelwoord


herauffahrend

Participle II


heraufgefahren

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse herauffahren


Duits herauffahren
Engels activate, bring up, commission, drive up
Russisch вводить в эксплуатацию, взбираться, подниматься
Spaans iniciar, poner en marcha, subir
Frans mettre en service, monter, élever
Turks işletmeye almak, yukarı taşımak, yukarı çıkmak
Portugees ativar, elevar, iniciar, levar para cima, subir
Italiaans attivare, mettere in funzione, portare su, salire
Roemeens pune în funcțiune, urca
Hongaars felhozni, üzembe helyez
Pools podjeżdżać, uruchomić, wjeżdżać
Grieks ανεβαίνω, λειτουργία
Nederlands in bedrijf stellen, omhoog rijden, oprijden
Tsjechisch přijet, uvést do provozu, vyjet
Zweeds driftsätta, starta, uppfart
Deens idrætsanlæg, kraftværk, køre op
Japans 上がる, 持ち上げる, 発電所を稼働させる
Catalaans posar en marxa, pujar
Fins kuljettaa ylös, käynnistää, nostaa, ottamaan käyttöön
Noors heve, løfte, sette i drift
Baskisch fabrika martxan jarri, gora eraman, igo
Servisch aktivirati, dizati, pokrenuti, uzdizati
Macedonisch вклучување, воздигнување, поставување
Sloveens dvigniti, pripeljati gor, vklopiti, zagnati
Slowaaks doviesť, uviesť do prevádzky, vyviezť
Bosnisch aktivirati, dizati, pokrenuti, uzdizati
Kroatisch aktivirati, dizati, pokrenuti, uzdizati
Oekraïens ввести в експлуатацію, запустити, підвозити, піднімати
Bulgaars вдигам, включване на инсталация, издигам, пускане на електрическа станция
Wit-Russisch актываваць, запускаць, падняць
Indonesisch membawa ke atas, menghidupkan, mengoperasikan
Vietnamees khởi động, đưa lên, đưa vào vận hành
Oezbeeks ishga tushirmoq, yuqoriga olib chiqish
Hindi ऊपर लाना, चालू करना, प्रारंभ करना
Chinees 启动, 投运, 载上来
Thais นำขึ้นไป, เดินเครื่อง, เริ่มเดินเครื่อง
Koreaans 가동시키다, 가동하다, 끌고 올라가다
Azerbeidzjaans istismara vermək, işə salmaq, yuxarıya aparmaq
Georgisch ამოქმედება, ამუშავება, ზემოთ მიყვანა
Bengaals উপর নিয়ে যাওয়া, চালু করা, শুরু করা
Albanees vë në funksion, vë në punë, çoj në lart
Marathi चालू करणे, वर नेऊन जाणे, सुरू करणे
Nepalees चालु गर्नु, माथि ल्याउनु, सञ्चालनमा ल्याउनु
Telugu పైనకు తీసుకురావడం, ప్రవేశపెట్టడం, ప్రారంభించడం
Lets iedarbināt, palaist, uzvest augšā
Tamil செயல்படுத்துதல், தொடங்குதல், மேலே கொண்டு செல்லுதல்
Ests käivitama, tööle rakendama, viia üles
Armeens բերել վերև, գործարկել
Koerdisch dest pê kirin, serê xwe biçe
Hebreeuwsלהעלות، להפעיל، להתחיל לפעול
Arabischالصعود، تشغيل
Perzischبالا آوردن، راه اندازی
Urduاوپر لانا، چلانا، کام شروع کرنا

herauffahren in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van herauffahren

  • von dort unten nach hier oben fahren, eine langgezogene Straße auf den Betrachter zufahren, hochfahren
  • etwas, jemanden von dort unten nach hier oben fahren, hochfahren
  • erhöhen
  • eine Anlage/ein Kraftwerk in Betrieb nehmen

herauffahren in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord herauffahren vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord herauffahren


De vervoeging van het werkwoord herauf·fahren wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord herauf·fahren is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (fährt herauf - fuhr herauf - hat heraufgefahren) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary herauffahren en op herauffahren in de Duden.

herauffahren vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich fahr(e) herauffuhr herauffahre heraufführe herauf-
du fährst herauffuhrst herauffahrest heraufführest herauffahr(e) herauf
er fährt herauffuhr herauffahre heraufführe herauf-
wir fahren herauffuhren herauffahren heraufführen herauffahren herauf
ihr fahrt herauffuhrt herauffahret heraufführet herauffahrt herauf
sie fahren herauffuhren herauffahren heraufführen herauffahren herauf

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich fahr(e) herauf, du fährst herauf, er fährt herauf, wir fahren herauf, ihr fahrt herauf, sie fahren herauf
  • Onvoltooid verleden tijd: ich fuhr herauf, du fuhrst herauf, er fuhr herauf, wir fuhren herauf, ihr fuhrt herauf, sie fuhren herauf
  • Perfectum: ich habe heraufgefahren, du hast heraufgefahren, er hat heraufgefahren, wir haben heraufgefahren, ihr habt heraufgefahren, sie haben heraufgefahren
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte heraufgefahren, du hattest heraufgefahren, er hatte heraufgefahren, wir hatten heraufgefahren, ihr hattet heraufgefahren, sie hatten heraufgefahren
  • Toekomende tijd I: ich werde herauffahren, du wirst herauffahren, er wird herauffahren, wir werden herauffahren, ihr werdet herauffahren, sie werden herauffahren
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde heraufgefahren haben, du wirst heraufgefahren haben, er wird heraufgefahren haben, wir werden heraufgefahren haben, ihr werdet heraufgefahren haben, sie werden heraufgefahren haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich fahre herauf, du fahrest herauf, er fahre herauf, wir fahren herauf, ihr fahret herauf, sie fahren herauf
  • Onvoltooid verleden tijd: ich führe herauf, du führest herauf, er führe herauf, wir führen herauf, ihr führet herauf, sie führen herauf
  • Perfectum: ich habe heraufgefahren, du habest heraufgefahren, er habe heraufgefahren, wir haben heraufgefahren, ihr habet heraufgefahren, sie haben heraufgefahren
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte heraufgefahren, du hättest heraufgefahren, er hätte heraufgefahren, wir hätten heraufgefahren, ihr hättet heraufgefahren, sie hätten heraufgefahren
  • Toekomende tijd I: ich werde herauffahren, du werdest herauffahren, er werde herauffahren, wir werden herauffahren, ihr werdet herauffahren, sie werden herauffahren
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde heraufgefahren haben, du werdest heraufgefahren haben, er werde heraufgefahren haben, wir werden heraufgefahren haben, ihr werdet heraufgefahren haben, sie werden heraufgefahren haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde herauffahren, du würdest herauffahren, er würde herauffahren, wir würden herauffahren, ihr würdet herauffahren, sie würden herauffahren
  • Voltooid verleden tijd: ich würde heraufgefahren haben, du würdest heraufgefahren haben, er würde heraufgefahren haben, wir würden heraufgefahren haben, ihr würdet heraufgefahren haben, sie würden heraufgefahren haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: fahr(e) (du) herauf, fahren wir herauf, fahrt (ihr) herauf, fahren Sie herauf

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: herauffahren, heraufzufahren
  • Infinitief II: heraufgefahren haben, heraufgefahren zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: herauffahrend
  • Participle II: heraufgefahren

Opmerkingen



Inloggen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 492713, 492713, 492713, 492713, 492713