Vervoeging van het Duitse werkwoord vorplanen ⟨Vragende zin⟩

De vervoeging van het werkwoord vorplanen (voorbereiden) is regelmatig. De basisvormen zijn plant vor?, plante vor? en hat vorgeplant?. Het hulpwerkwoord van vorplanen is "haben". De eerste lettergreep vor- van vorplanen is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Vragende zin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord vorplanen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor vorplanen. Je kunt niet alleen vorplanen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Opmerkingen

regelmatig · haben · scheidbaar

vor·planen

plant vor? · plante vor? · hat vorgeplant?

Engels plan in advance, prepare, preplan

/foːɐ̯ˈplaːnən/ · /plaːnt foːɐ̯/ · /ˈplan.tə foːɐ̯/ · /foːɐ̯ɡəˈplaːnt/

vorbereitend planen

(acc.)

» Ich habe alles vorgeplant . Engels I have planned everything.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van vorplanen

Tegenwoordige tijd

plan(e)⁵ ich vor?
planst du vor?
plant er vor?
planen wir vor?
plant ihr vor?
planen sie vor?

Onvoltooid verleden tijd

plante ich vor?
plantest du vor?
plante er vor?
planten wir vor?
plantet ihr vor?
planten sie vor?

Imperatief

-
plan(e)⁵ (du) vor
-
planen wir vor
plant (ihr) vor
planen Sie vor

Konjunktief I

plane ich vor?
planest du vor?
plane er vor?
planen wir vor?
planet ihr vor?
planen sie vor?

Konjunktief II

plante ich vor?
plantest du vor?
plante er vor?
planten wir vor?
plantet ihr vor?
planten sie vor?

Infinitief

vorplanen
vorzuplanen

Deelwoord

vorplanend
vorgeplant

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord vorplanen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

plan(e)⁵ ich vor?
planst du vor?
plant er vor?
planen wir vor?
plant ihr vor?
planen sie vor?

Onvoltooid verleden tijd

plante ich vor?
plantest du vor?
plante er vor?
planten wir vor?
plantet ihr vor?
planten sie vor?

Perfectum

habe ich vorgeplant?
hast du vorgeplant?
hat er vorgeplant?
haben wir vorgeplant?
habt ihr vorgeplant?
haben sie vorgeplant?

Volt. verl. tijd

hatte ich vorgeplant?
hattest du vorgeplant?
hatte er vorgeplant?
hatten wir vorgeplant?
hattet ihr vorgeplant?
hatten sie vorgeplant?

Toekomende tijd I

werde ich vorplanen?
wirst du vorplanen?
wird er vorplanen?
werden wir vorplanen?
werdet ihr vorplanen?
werden sie vorplanen?

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

werde ich vorgeplant haben?
wirst du vorgeplant haben?
wird er vorgeplant haben?
werden wir vorgeplant haben?
werdet ihr vorgeplant haben?
werden sie vorgeplant haben?

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord vorplanen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

plane ich vor?
planest du vor?
plane er vor?
planen wir vor?
planet ihr vor?
planen sie vor?

Konjunktief II

plante ich vor?
plantest du vor?
plante er vor?
planten wir vor?
plantet ihr vor?
planten sie vor?

Voltooid Konj.

habe ich vorgeplant?
habest du vorgeplant?
habe er vorgeplant?
haben wir vorgeplant?
habet ihr vorgeplant?
haben sie vorgeplant?

Konj. volt. verl. t.

hätte ich vorgeplant?
hättest du vorgeplant?
hätte er vorgeplant?
hätten wir vorgeplant?
hättet ihr vorgeplant?
hätten sie vorgeplant?

Toekomende aanvoegende wijs I

werde ich vorplanen?
werdest du vorplanen?
werde er vorplanen?
werden wir vorplanen?
werdet ihr vorplanen?
werden sie vorplanen?

Toek. volt. aanw.

werde ich vorgeplant haben?
werdest du vorgeplant haben?
werde er vorgeplant haben?
werden wir vorgeplant haben?
werdet ihr vorgeplant haben?
werden sie vorgeplant haben?

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

würde ich vorplanen?
würdest du vorplanen?
würde er vorplanen?
würden wir vorplanen?
würdet ihr vorplanen?
würden sie vorplanen?

Verleden cond.

würde ich vorgeplant haben?
würdest du vorgeplant haben?
würde er vorgeplant haben?
würden wir vorgeplant haben?
würdet ihr vorgeplant haben?
würden sie vorgeplant haben?

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord vorplanen


Tegenwoordige tijd

plan(e)⁵ (du) vor
planen wir vor
plant (ihr) vor
planen Sie vor

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor vorplanen


Infinitief I


vorplanen
vorzuplanen

Infinitief II


vorgeplant haben
vorgeplant zu haben

Tegenwoordig deelwoord


vorplanend

Participle II


vorgeplant

  • Ich habe alles vorgeplant . 
  • Ich habe alles vorgeplant , alles, außer einem. 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor vorplanen


  • Ich habe alles vorgeplant . 
    Engels I have planned everything.
  • Ich habe alles vorgeplant , alles, außer einem. 
    Engels I have planned everything, everything except one.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse vorplanen


Duits vorplanen
Engels plan in advance, prepare, preplan
Russisch предварительное планирование
Spaans planificar, preparar
Frans planifier, préparer
Turks önceden planlamak
Portugees planear, planejamento antecipado, planejamento prévio, planejar, premeditar, projetar
Italiaans pianificare
Roemeens planificare preliminară
Hongaars előre tervezni
Pools wstępnie planować
Grieks προγραμματισμός
Nederlands voorbereiden
Tsjechisch předplánovat
Zweeds förbereda
Deens forberede
Japans 事前計画
Catalaans planificació prèvia
Fins ennakoida
Noors forberede
Baskisch aurreplano
Servisch planirati unapred
Macedonisch предпланирање
Sloveens predhodno načrtovati
Slowaaks predplánovať
Bosnisch predplanirati
Kroatisch predplanirati, pripremno planirati
Oekraïens попереднє планування
Bulgaars предварително планиране
Wit-Russisch папярэдняе планаванне
Indonesisch merencanakan terlebih dahulu
Vietnamees lập kế hoạch trước
Oezbeeks oldindan rejalashtirmoq
Hindi पूर्व योजना बनाना
Chinees 事先计划
Thais วางแผนล่วงหน้า
Koreaans 사전에 계획하다
Azerbeidzjaans əvvəlcədən planlaşdırmaq
Georgisch წინასწარ დაგეგმვა
Bengaals আগে পরিকল্পনা করা
Albanees paraplanifikoj
Marathi पूर्वनियोजन करणे
Nepalees पूर्वयोजना गर्नु
Telugu ముందస్తు ప్రణాళిక చేయడం
Lets iepriekš plānot
Tamil முன்கூட்டியே திட்டமிடுவது
Ests eelplaneerima
Armeens նախապես պլանավորել
Koerdisch berê plan kirin
Hebreeuwsלתכנן מראש
Arabischالتخطيط المسبق
Perzischپیش‌طرح
Urduپیشگی منصوبہ بندی

vorplanen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van vorplanen

  • vorbereitend planen
  • vorbereitend planen

vorplanen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord vorplanen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord vorplanen


De vervoeging van het werkwoord vor·planen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord vor·planen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (plant vor? - plante vor? - hat vorgeplant?) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary vorplanen en op vorplanen in de Duden.

vorplanen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich plan(e) vor?plante vor?plane vor?plante vor?-
du planst vor?plantest vor?planest vor?plantest vor?plan(e) vor
er plant vor?plante vor?plane vor?plante vor?-
wir planen vor?planten vor?planen vor?planten vor?planen vor
ihr plant vor?plantet vor?planet vor?plantet vor?plant vor
sie planen vor?planten vor?planen vor?planten vor?planen vor

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: plan(e) ich vor?, planst du vor?, plant er vor?, planen wir vor?, plant ihr vor?, planen sie vor?
  • Onvoltooid verleden tijd: plante ich vor?, plantest du vor?, plante er vor?, planten wir vor?, plantet ihr vor?, planten sie vor?
  • Perfectum: habe ich vorgeplant?, hast du vorgeplant?, hat er vorgeplant?, haben wir vorgeplant?, habt ihr vorgeplant?, haben sie vorgeplant?
  • Voltooid verleden tijd: hatte ich vorgeplant?, hattest du vorgeplant?, hatte er vorgeplant?, hatten wir vorgeplant?, hattet ihr vorgeplant?, hatten sie vorgeplant?
  • Toekomende tijd I: werde ich vorplanen?, wirst du vorplanen?, wird er vorplanen?, werden wir vorplanen?, werdet ihr vorplanen?, werden sie vorplanen?
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich vorgeplant haben?, wirst du vorgeplant haben?, wird er vorgeplant haben?, werden wir vorgeplant haben?, werdet ihr vorgeplant haben?, werden sie vorgeplant haben?

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: plane ich vor?, planest du vor?, plane er vor?, planen wir vor?, planet ihr vor?, planen sie vor?
  • Onvoltooid verleden tijd: plante ich vor?, plantest du vor?, plante er vor?, planten wir vor?, plantet ihr vor?, planten sie vor?
  • Perfectum: habe ich vorgeplant?, habest du vorgeplant?, habe er vorgeplant?, haben wir vorgeplant?, habet ihr vorgeplant?, haben sie vorgeplant?
  • Voltooid verleden tijd: hätte ich vorgeplant?, hättest du vorgeplant?, hätte er vorgeplant?, hätten wir vorgeplant?, hättet ihr vorgeplant?, hätten sie vorgeplant?
  • Toekomende tijd I: werde ich vorplanen?, werdest du vorplanen?, werde er vorplanen?, werden wir vorplanen?, werdet ihr vorplanen?, werden sie vorplanen?
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich vorgeplant haben?, werdest du vorgeplant haben?, werde er vorgeplant haben?, werden wir vorgeplant haben?, werdet ihr vorgeplant haben?, werden sie vorgeplant haben?

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: würde ich vorplanen?, würdest du vorplanen?, würde er vorplanen?, würden wir vorplanen?, würdet ihr vorplanen?, würden sie vorplanen?
  • Voltooid verleden tijd: würde ich vorgeplant haben?, würdest du vorgeplant haben?, würde er vorgeplant haben?, würden wir vorgeplant haben?, würdet ihr vorgeplant haben?, würden sie vorgeplant haben?

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: plan(e) (du) vor, planen wir vor, plant (ihr) vor, planen Sie vor

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: vorplanen, vorzuplanen
  • Infinitief II: vorgeplant haben, vorgeplant zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: vorplanend
  • Participle II: vorgeplant

Opmerkingen



Inloggen

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 10196286, 10196290