Vervoeging van het Duitse werkwoord treten (hat) 〈Vragende zin〉
De vervoeging van het werkwoord treten (trappen, schoppen) is onregelmatig. De basisvormen zijn tritt?, trat? en hat getreten?. De ablaut vindt plaats met de stamklinkers e - a - e. Het hulpwerkwoord van treten is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Vragende zin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord treten beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor treten. Je kunt niet alleen treten vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen ☆
C2 · onregelmatig · haben
tritt? · trat? · hat getreten?
toevoeging van -e Flexieve samentrekking Verandering van de stamklinker e - a - e Verandering van e/i in de tegenwoordige tijd en de gebiedende wijs
kick, step, tread, pedal, copulate, mate, strike
/ˈtʁeːtən/ · /tʁɪt/ · /tʁaːt/ · /ˈtʁɛːtə/ · /ɡəˈtʁeːtən/
[…, Sport] mit der Fußsohle berühren, wobei meist das Körpergewicht darauf lastet; ein Pedalfahrzeug mit den Füßen antreiben; begatten, besteigen, bespringen
(dat., acc., in+A, an+A, vor+A, gegen+A, um+A, auf+A, zu+D, mit+D)
» Sie hat ihn getreten
. She kicked him.
De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van treten (hat)
⁵ Alleen in informeel taalgebruik⁷ Verouderd gebruik
indicatief
Het werkwoord treten (hat) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd
Perfectum
| habe | ich | getreten? |
| hast | du | getreten? |
| hat | er | getreten? |
| haben | wir | getreten? |
| habt | ihr | getreten? |
| haben | sie | getreten? |
Volt. verl. tijd
| hatte | ich | getreten? |
| hattest | du | getreten? |
| hatte | er | getreten? |
| hatten | wir | getreten? |
| hattet | ihr | getreten? |
| hatten | sie | getreten? |
Toekomende tijd I
| werde | ich | treten? |
| wirst | du | treten? |
| wird | er | treten? |
| werden | wir | treten? |
| werdet | ihr | treten? |
| werden | sie | treten? |
voltooid tegenwoordige toekomende tijd
| werde | ich | getreten | haben? |
| wirst | du | getreten | haben? |
| wird | er | getreten | haben? |
| werden | wir | getreten | haben? |
| werdet | ihr | getreten | haben? |
| werden | sie | getreten | haben? |
⁵ Alleen in informeel taalgebruik⁷ Verouderd gebruik
Conjunctief
De vervoeging van het werkwoord treten (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.
Voltooid Konj.
| habe | ich | getreten? |
| habest | du | getreten? |
| habe | er | getreten? |
| haben | wir | getreten? |
| habet | ihr | getreten? |
| haben | sie | getreten? |
Konj. volt. verl. t.
| hätte | ich | getreten? |
| hättest | du | getreten? |
| hätte | er | getreten? |
| hätten | wir | getreten? |
| hättet | ihr | getreten? |
| hätten | sie | getreten? |
Voorwaardelijke wijs II (würde)
Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.
Imperatief
De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord treten (hat)
Infinitief/Deelwoord
De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor treten (hat)
Voorbeelden
Voorbeeldzinnen voor treten (hat)
-
Sie hat ihn
getreten
.
She kicked him.
-
Sie hat ihn arg
getreten
.
She kicked him hard.
-
Er hat mich mit Absicht
getreten
.
He kicked me on purpose.
-
Mary hat Tom in den Schritt
getreten
.
Mary kicked Tom in the groin.
-
Tom hat in seinem Leben noch nie einen Fußball
getreten
.
Tom has never kicked a football in his life.
-
Maria hat Tom in den Allerwertesten
getreten
.
Maria kicked Tom in the backside.
Voorbeelden
Vertalingen
Vertalingen van het Duitse treten (hat)
-
treten (hat)
kick, step, tread, pedal, copulate, mate, strike
наступать, ступать, пнуть, вступать, втаптывать, втоптать, выступать, выступить
patear, pisar, dar una patada, pedalear, aparearse, copular, impulsar, patalear
frapper, pousser, pédaler, appuyer sur, botter, botter à, donner un coup, fouler aux pieds
basmak, tekmelemek, ayak basmak, darbe yapmak, dokunmak, pedal çevirmek, tekme atmak, vurmak
pisar, acasalamento, calcar, chutar, copular, golpear, impulsionar, pedalar
calciare, pedalare, accoppiarsi, battere, calcare, calpestare, colpire, copulare
călca, pedala, păși, lovi, lovitură, pasi, pătrunde, se împerechea
lép, rúg, tapos, gázol, lökni, lökés, megrúg, pedálni
kopać, deptać, nadepnąć, naciskać, napędzać nogami, stąpać, uderzać
πατώ, πατάω, χτυπώ, κλοτσώ, κλωτσώ, πατήμα, πιέζω
trappen, schoppen, aan zitten achter, bespringen, dekken, een trap geven, nemen, schieten
kopnout, šlápnout, kopulovat, pářit, šlapat
trampa, sparka, bestiga, steg
træde, sparke, rykke, trampe, træde på
踏む, 蹴る, 交尾する, 叩く, 繁殖する, 足で押す
trepitjar, copular, impulsar, pedalar, pedalejar, pisar, reproduir, cop
astua, potkaista, koskettaa, lyödä polvella, polkea
tråkke, sparke, gå, trekke, trå
ukitu, kolpea, pedaleatu, sartu, zapaltzea
gazi, koračati, pedaalirati, pokretati nogama, stati, udarciti, udati, šutnuti
допирање, гази, нагази, педалирање, поттикнување, стапање, удри
brcati, pariti, poganjati, priti, stopiti, udareti
kopať, kopnúť, kopulovať, párenie, stúpať, udrieť, šlapať
gazi, gaziti, koračati, nagaziti, pariti, pogoniti nogama, stati, udarciti
koračati, gazi, gurnuti, pogoniti, stati, udarciti, udari
крокувати, ступати, наступати, наступити, педалити, ступити, ударяти, штовхати
стъпвам
націскаць, забіваць, наступаць, наступіць, ступаць, ударыць, штурхаць
kawin, menendang, mengawini, mengayuh, menginjak
dẫm lên, giao phối, phối giống, đá, đá bằng chân, đạp xe
bosmoq, juftlashmoq, pedal bosmoq, tepmoq
कदम रखना, किक मारना, पेडल चलाना, पैर रखना, मिलन करना, संभोग करना
交尾, 交配, 踢, 踩, 踩踏板
ปั่นจักรยาน, ผสมพันธุ์, เตะ, เหยียบ
교미하다, 교배하다, 발로 차다, 밟다, 페달을 밟다
ayağı ilə basmaq, ayağı ilə vurmaq, cütləşmək, pedal çəkmək
აბიჯება, ფეხით დარტყვა, შეწყვილება
পা রাখা, পায়ে চাপ দেওয়া, পেডাল চালানো, মিলন করা, লাথি মারা, সঙ্গম করা
kopuloj, pedaloj, shkel, shkel me këmbë, çiftohem
पाय टेकणे, पाय ठेवणे, पायाने मारणे, पेडल चालवणे, मीलन करणे, संभोग करणे
खुट्टा राख्नु, खुट्टाले मार्नु, पेडल चलाउनु, मिलन गर्नु, सम्भोग गर्नु
కాళ్లతో కొట్టడం, పాదం పెట్టడం, పెడల్ నడపడం, సంభోగించు
kāpt uz, pedalēt, pāroties, sist ar kāju
இணைதல், கலவி செய், கால் அடிக்க, கால் வை, பெடல் இயக்குதல், மிதி
astuma, jalaga lüüa, kopuleerima, paarituma, pedalima
զուգավորվել, ոտք դնել, ոտքով հարվածել, պեդալ վարել
cima kirin, pedal kirin, qadam dan, sêks kirin, tekme kirin
לדרוך، בעיטה، דריכה، לבעוט، לבעול، מכה
ركل، خطا، خطو، خطى، داس، دفع، دهسَ، رفس
قدم گذاشتن، پا گذاشتن، ضربه زدن، فشار آوردن، وارد شدن، پازدن، پایین آمدن، پدال زدن
لگانا، مارنا، نرمی سے چھونا، پاؤں رکھنا، پاؤں سے چھونا، پیدا کرنا، پیدل چلانا، پیدل چلنا
treten (hat) in dict.cc
Vertalingen
Doe mee
Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.
|
|
Inloggen |
Definities
Betekenissen en synoniemen van treten (hat)- mit der Fußsohle berühren, wobei meist das Körpergewicht darauf lastet
- ein Pedalfahrzeug mit den Füßen antreiben
- wenige Schritte gehen, schreiten, kommen
- herein- beziehungsweise herauskommen, kommen, eintreten/austreten, eintreten, austreten
- mit dem Fuß oder Knie einen Hieb versetzen ...
Betekenissen Synoniemen
Voorzetsels
Voorzetsels voor treten (hat)
jemand
auftritt
etwas jemand/etwas
antritt
jemanden/etwas jemand/etwas
auftritt
etwas jemand/etwas tritt
etwas inetwas jemand/etwas
gegentritt
etwas jemand/etwas
intritt
etwas jemand/etwas
in/auftritt
etwas jemand/etwas tritt
jemandem inetwas
...
Toepassingen Voorzetsels
Verbuigingsregels
Gedetailleerde regels voor vervoeging
- Vorming van Tegenwoordige tijd van treten
- Vorming van Onvoltooid verleden tijd van treten
- Vorming van Imperatief van treten
- Vorming van Konjunktiv I van treten
- Vorming van Konjunktiv II van treten
- Vorming van Infinitief van treten
- Vorming van Deelwoord van treten
- Hoe vervoeg je werkwoorden in het Duits?
Afleidingen
Afgeleide vormen van treten (hat)
≡ hintreten
≡ auftreten
≡ tottreten
≡ eintreten
≡ abtreten
≡ betreten
≡ breittreten
≡ vortreten
≡ raustreten
≡ umtreten
≡ herumtreten
≡ herzutreten
≡ reintreten
≡ drauftreten
≡ kurztreten
≡ leisetreten
Woordenboeken
Alle vertaalwoordenboeken
Duitse werkwoord treten vervoegen
Overzicht van alle tijden van het werkwoord treten (hat)
De vervoeging van het werkwoord treten wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord treten is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (tritt? - trat? - hat getreten?) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary treten en op treten in de Duden.
treten vervoeging
| Tegenwoordige tijd | Onvoltooid verleden tijd | Conjunctief I | Conjunctief II | Imperatief | |
|---|---|---|---|---|---|
| ich | tret(e)? | trat? | trete? | träte? | - |
| du | trittst? | trat(e)st? | tretest? | trätest? | tritt |
| er | tritt? | trat? | trete? | träte? | - |
| wir | treten? | traten? | treten? | träten? | treten |
| ihr | tretet? | tratet? | tretet? | trätet? | tretet |
| sie | treten? | traten? | treten? | träten? | treten |
indicatief Actief
- Tegenwoordige tijd: tret(e) ich?, trittst du?, tritt er?, treten wir?, tretet ihr?, treten sie?
- Onvoltooid verleden tijd: trat ich?, trat(e)st du?, trat er?, traten wir?, tratet ihr?, traten sie?
- Perfectum: habe ich getreten?, hast du getreten?, hat er getreten?, haben wir getreten?, habt ihr getreten?, haben sie getreten?
- Voltooid verleden tijd: hatte ich getreten?, hattest du getreten?, hatte er getreten?, hatten wir getreten?, hattet ihr getreten?, hatten sie getreten?
- Toekomende tijd I: werde ich treten?, wirst du treten?, wird er treten?, werden wir treten?, werdet ihr treten?, werden sie treten?
- voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich getreten haben?, wirst du getreten haben?, wird er getreten haben?, werden wir getreten haben?, werdet ihr getreten haben?, werden sie getreten haben?
Conjunctief Actief
- Tegenwoordige tijd: trete ich?, tretest du?, trete er?, treten wir?, tretet ihr?, treten sie?
- Onvoltooid verleden tijd: träte ich?, trätest du?, träte er?, träten wir?, trätet ihr?, träten sie?
- Perfectum: habe ich getreten?, habest du getreten?, habe er getreten?, haben wir getreten?, habet ihr getreten?, haben sie getreten?
- Voltooid verleden tijd: hätte ich getreten?, hättest du getreten?, hätte er getreten?, hätten wir getreten?, hättet ihr getreten?, hätten sie getreten?
- Toekomende tijd I: werde ich treten?, werdest du treten?, werde er treten?, werden wir treten?, werdet ihr treten?, werden sie treten?
- voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich getreten haben?, werdest du getreten haben?, werde er getreten haben?, werden wir getreten haben?, werdet ihr getreten haben?, werden sie getreten haben?
Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief
- Onvoltooid verleden tijd: würde ich treten?, würdest du treten?, würde er treten?, würden wir treten?, würdet ihr treten?, würden sie treten?
- Voltooid verleden tijd: würde ich getreten haben?, würdest du getreten haben?, würde er getreten haben?, würden wir getreten haben?, würdet ihr getreten haben?, würden sie getreten haben?
Imperatief Actief
- Tegenwoordige tijd: tritt (du), treten wir, tretet (ihr), treten Sie
Infinitief/Deelwoord Actief
- Infinitief I: treten, zu treten
- Infinitief II: getreten haben, getreten zu haben
- Tegenwoordig deelwoord: tretend
- Participle II: getreten