Vervoeging van het Duitse werkwoord rumziehen (hat) ⟨Vragende zin⟩

De vervoeging van het werkwoord rumziehen (doelloos rondzwerven) is onregelmatig. De basisvormen zijn zieht rum?, zog rum? en hat rumgezogen?. De ablaut vindt plaats met de stamklinkers ie - o - o. Het hulpwerkwoord van rumziehen is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De eerste lettergreep rum- van rumziehen is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Vragende zin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord rumziehen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor rumziehen. Je kunt niet alleen rumziehen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Opmerkingen

haben
rum·ziehen
sein
rum·ziehen

onregelmatig · haben · scheidbaar

rum·ziehen

zieht rum? · zog rum? · hat rumgezogen?

 Verlies van -e na een klinker   Verandering van de stamklinker  ie - o - o   Medeklinkerverandering  g - g - g 

Engels roam, wander

/ˈʁʊmˌt͡siːən/ · /t͡siːt ʁʊm/ · /t͡soːk ʁʊm/ · /ˈt͡søːɡə ʁʊm/ · /ˈʁʊmˌt͡siːɡən/

ziellos umherziehen

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van rumziehen (hat)

Tegenwoordige tijd

zieh(e)⁵ ich rum?
ziehst du rum?
zieht er rum?
zieh(e)⁵n wir rum?
zieht ihr rum?
zieh(e)⁵n sie rum?

Onvoltooid verleden tijd

zog ich rum?
zogst du rum?
zog er rum?
zogen wir rum?
zogt ihr rum?
zogen sie rum?

Imperatief

-
zieh(e)⁵ (du) rum
-
zieh(e)⁵n wir rum
zieht (ihr) rum
zieh(e)⁵n Sie rum

Konjunktief I

ziehe ich rum?
ziehest du rum?
ziehe er rum?
zieh(e)⁵n wir rum?
ziehet ihr rum?
zieh(e)⁵n sie rum?

Konjunktief II

zöge ich rum?
zögest du rum?
zöge er rum?
zögen wir rum?
zöget ihr rum?
zögen sie rum?

Infinitief

rumzieh(e)⁵n
rumzuzieh(e)⁵n

Deelwoord

rumziehend
rumgezogen

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord rumziehen (hat) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

zieh(e)⁵ ich rum?
ziehst du rum?
zieht er rum?
zieh(e)⁵n wir rum?
zieht ihr rum?
zieh(e)⁵n sie rum?

Onvoltooid verleden tijd

zog ich rum?
zogst du rum?
zog er rum?
zogen wir rum?
zogt ihr rum?
zogen sie rum?

Perfectum

habe ich rumgezogen?
hast du rumgezogen?
hat er rumgezogen?
haben wir rumgezogen?
habt ihr rumgezogen?
haben sie rumgezogen?

Volt. verl. tijd

hatte ich rumgezogen?
hattest du rumgezogen?
hatte er rumgezogen?
hatten wir rumgezogen?
hattet ihr rumgezogen?
hatten sie rumgezogen?

Toekomende tijd I

werde ich rumzieh(e)⁵n?
wirst du rumzieh(e)⁵n?
wird er rumzieh(e)⁵n?
werden wir rumzieh(e)⁵n?
werdet ihr rumzieh(e)⁵n?
werden sie rumzieh(e)⁵n?

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

werde ich rumgezogen haben?
wirst du rumgezogen haben?
wird er rumgezogen haben?
werden wir rumgezogen haben?
werdet ihr rumgezogen haben?
werden sie rumgezogen haben?

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord rumziehen (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ziehe ich rum?
ziehest du rum?
ziehe er rum?
zieh(e)⁵n wir rum?
ziehet ihr rum?
zieh(e)⁵n sie rum?

Konjunktief II

zöge ich rum?
zögest du rum?
zöge er rum?
zögen wir rum?
zöget ihr rum?
zögen sie rum?

Voltooid Konj.

habe ich rumgezogen?
habest du rumgezogen?
habe er rumgezogen?
haben wir rumgezogen?
habet ihr rumgezogen?
haben sie rumgezogen?

Konj. volt. verl. t.

hätte ich rumgezogen?
hättest du rumgezogen?
hätte er rumgezogen?
hätten wir rumgezogen?
hättet ihr rumgezogen?
hätten sie rumgezogen?

Toekomende aanvoegende wijs I

werde ich rumzieh(e)⁵n?
werdest du rumzieh(e)⁵n?
werde er rumzieh(e)⁵n?
werden wir rumzieh(e)⁵n?
werdet ihr rumzieh(e)⁵n?
werden sie rumzieh(e)⁵n?

Toek. volt. aanw.

werde ich rumgezogen haben?
werdest du rumgezogen haben?
werde er rumgezogen haben?
werden wir rumgezogen haben?
werdet ihr rumgezogen haben?
werden sie rumgezogen haben?

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

würde ich rumzieh(e)⁵n?
würdest du rumzieh(e)⁵n?
würde er rumzieh(e)⁵n?
würden wir rumzieh(e)⁵n?
würdet ihr rumzieh(e)⁵n?
würden sie rumzieh(e)⁵n?

Verleden cond.

würde ich rumgezogen haben?
würdest du rumgezogen haben?
würde er rumgezogen haben?
würden wir rumgezogen haben?
würdet ihr rumgezogen haben?
würden sie rumgezogen haben?

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord rumziehen (hat)


Tegenwoordige tijd

zieh(e)⁵ (du) rum
zieh(e)⁵n wir rum
zieht (ihr) rum
zieh(e)⁵n Sie rum

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor rumziehen (hat)


Infinitief I


rumzieh(e)⁵n
rumzuzieh(e)⁵n

Infinitief II


rumgezogen haben
rumgezogen zu haben

Tegenwoordig deelwoord


rumziehend

Participle II


rumgezogen

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse rumziehen (hat)


Duits rumziehen (hat)
Engels roam, wander
Russisch блуждание, блуждать
Spaans deambular, vagar
Frans errance, flâner
Turks dolaşmak, gezmek
Portugees perambular, vagar
Italiaans errante, vagare
Roemeens se plimba fără țintă
Hongaars kóborolni
Pools włóczyć się
Grieks περιπλανώμαι
Nederlands doelloos rondzwerven
Tsjechisch bloudit, tápat
Zweeds ströva, vandra
Deens vandre
Japans さまよう, 彷徨う
Catalaans vagare
Fins vaeltaa
Noors streife, vandre
Baskisch bidegabe ibili
Servisch lutati
Macedonisch лутам
Sloveens tavati
Slowaaks túlať sa
Bosnisch lutati
Kroatisch lutati
Oekraïens блукання, блукати
Bulgaars блуждая
Wit-Russisch блукаць
Indonesisch berkelana
Vietnamees lang thang
Oezbeeks aylanib yurmoq
Hindi भटकना
Chinees 到处闲逛
Thais เตร็ดเตร่
Koreaans 헤매다
Azerbeidzjaans dolanmaq
Georgisch სეირნება
Bengaals ঘুরে বেড়ানো
Albanees ec rrotull
Marathi भटकत राहणे
Nepalees भटक्नु
Telugu చుట్టూ తిరుగడం
Lets klaiņot
Tamil சுற்றி நடப்பது
Ests ringi uitama
Armeens շրջվել
Koerdisch gezmek
Hebreeuwsלשוטט
Arabischالتجول بلا هدف
Perzischسرگردانی
Urduبے مقصد گھومنا

rumziehen (hat) in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van rumziehen (hat)

  • ziellos umherziehen

rumziehen (hat) in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord rumziehen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord rumziehen (hat)


De vervoeging van het werkwoord rum·ziehen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord rum·ziehen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (zieht rum? - zog rum? - hat rumgezogen?) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary rumziehen en op rumziehen in de Duden.

rumziehen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich zieh(e) rum?zog rum?ziehe rum?zöge rum?-
du ziehst rum?zogst rum?ziehest rum?zögest rum?zieh(e) rum
er zieht rum?zog rum?ziehe rum?zöge rum?-
wir zieh(e)n rum?zogen rum?zieh(e)n rum?zögen rum?zieh(e)n rum
ihr zieht rum?zogt rum?ziehet rum?zöget rum?zieht rum
sie zieh(e)n rum?zogen rum?zieh(e)n rum?zögen rum?zieh(e)n rum

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: zieh(e) ich rum?, ziehst du rum?, zieht er rum?, zieh(e)n wir rum?, zieht ihr rum?, zieh(e)n sie rum?
  • Onvoltooid verleden tijd: zog ich rum?, zogst du rum?, zog er rum?, zogen wir rum?, zogt ihr rum?, zogen sie rum?
  • Perfectum: habe ich rumgezogen?, hast du rumgezogen?, hat er rumgezogen?, haben wir rumgezogen?, habt ihr rumgezogen?, haben sie rumgezogen?
  • Voltooid verleden tijd: hatte ich rumgezogen?, hattest du rumgezogen?, hatte er rumgezogen?, hatten wir rumgezogen?, hattet ihr rumgezogen?, hatten sie rumgezogen?
  • Toekomende tijd I: werde ich rumzieh(e)n?, wirst du rumzieh(e)n?, wird er rumzieh(e)n?, werden wir rumzieh(e)n?, werdet ihr rumzieh(e)n?, werden sie rumzieh(e)n?
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich rumgezogen haben?, wirst du rumgezogen haben?, wird er rumgezogen haben?, werden wir rumgezogen haben?, werdet ihr rumgezogen haben?, werden sie rumgezogen haben?

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ziehe ich rum?, ziehest du rum?, ziehe er rum?, zieh(e)n wir rum?, ziehet ihr rum?, zieh(e)n sie rum?
  • Onvoltooid verleden tijd: zöge ich rum?, zögest du rum?, zöge er rum?, zögen wir rum?, zöget ihr rum?, zögen sie rum?
  • Perfectum: habe ich rumgezogen?, habest du rumgezogen?, habe er rumgezogen?, haben wir rumgezogen?, habet ihr rumgezogen?, haben sie rumgezogen?
  • Voltooid verleden tijd: hätte ich rumgezogen?, hättest du rumgezogen?, hätte er rumgezogen?, hätten wir rumgezogen?, hättet ihr rumgezogen?, hätten sie rumgezogen?
  • Toekomende tijd I: werde ich rumzieh(e)n?, werdest du rumzieh(e)n?, werde er rumzieh(e)n?, werden wir rumzieh(e)n?, werdet ihr rumzieh(e)n?, werden sie rumzieh(e)n?
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich rumgezogen haben?, werdest du rumgezogen haben?, werde er rumgezogen haben?, werden wir rumgezogen haben?, werdet ihr rumgezogen haben?, werden sie rumgezogen haben?

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: würde ich rumzieh(e)n?, würdest du rumzieh(e)n?, würde er rumzieh(e)n?, würden wir rumzieh(e)n?, würdet ihr rumzieh(e)n?, würden sie rumzieh(e)n?
  • Voltooid verleden tijd: würde ich rumgezogen haben?, würdest du rumgezogen haben?, würde er rumgezogen haben?, würden wir rumgezogen haben?, würdet ihr rumgezogen haben?, würden sie rumgezogen haben?

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: zieh(e) (du) rum, zieh(e)n wir rum, zieht (ihr) rum, zieh(e)n Sie rum

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: rumzieh(e)n, rumzuzieh(e)n
  • Infinitief II: rumgezogen haben, rumgezogen zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: rumziehend
  • Participle II: rumgezogen

Opmerkingen



Inloggen