Vervoeging van het Duitse werkwoord nasführen ⟨Vragende zin⟩

De vervoeging van het werkwoord nasführen (voor de gek houden) is regelmatig. De basisvormen zijn nasführt?, nasführte? en hat genasführt?. Het hulpwerkwoord van nasführen is "haben". Het voorvoegsel nas- van nasführen is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Vragende zin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord nasführen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor nasführen. Je kunt niet alleen nasführen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

C2 · regelmatig · haben · onlosmakelijk

nasführen

nasführt? · nasführte? · hat genasführt?

Engels dupe, hoax, deceive, fool

/nasˈfyːʁən/ · /nasˈfyːʁt/ · /nasˈfyːʁtə/ · /ɡənasˈfyːʁt/

jemanden zum Narren halten; anführen, verladen, foppen, verarschen, hereinlegen

acc.

» Tom hat uns allesamt genasführt . Engels Tom certainly fooled us all.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van nasführen

Tegenwoordige tijd

nasführ(e)⁵ ich?
nasführst du?
nasführt er?
nasführen wir?
nasführt ihr?
nasführen sie?

Onvoltooid verleden tijd

nasführte ich?
nasführtest du?
nasführte er?
nasführten wir?
nasführtet ihr?
nasführten sie?

Imperatief

-
nasführ(e)⁵ (du)
-
nasführen wir
nasführt (ihr)
nasführen Sie

Konjunktief I

nasführe ich?
nasführest du?
nasführe er?
nasführen wir?
nasführet ihr?
nasführen sie?

Konjunktief II

nasführte ich?
nasführtest du?
nasführte er?
nasführten wir?
nasführtet ihr?
nasführten sie?

Infinitief

nasführen
zu nasführen

Deelwoord

nasführend
genasführt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord nasführen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

nasführ(e)⁵ ich?
nasführst du?
nasführt er?
nasführen wir?
nasführt ihr?
nasführen sie?

Onvoltooid verleden tijd

nasführte ich?
nasführtest du?
nasführte er?
nasführten wir?
nasführtet ihr?
nasführten sie?

Perfectum

habe ich genasführt?
hast du genasführt?
hat er genasführt?
haben wir genasführt?
habt ihr genasführt?
haben sie genasführt?

Volt. verl. tijd

hatte ich genasführt?
hattest du genasführt?
hatte er genasführt?
hatten wir genasführt?
hattet ihr genasführt?
hatten sie genasführt?

Toekomende tijd I

werde ich nasführen?
wirst du nasführen?
wird er nasführen?
werden wir nasführen?
werdet ihr nasführen?
werden sie nasführen?

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

werde ich genasführt haben?
wirst du genasführt haben?
wird er genasführt haben?
werden wir genasführt haben?
werdet ihr genasführt haben?
werden sie genasführt haben?

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord nasführen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

nasführe ich?
nasführest du?
nasführe er?
nasführen wir?
nasführet ihr?
nasführen sie?

Konjunktief II

nasführte ich?
nasführtest du?
nasführte er?
nasführten wir?
nasführtet ihr?
nasführten sie?

Voltooid Konj.

habe ich genasführt?
habest du genasführt?
habe er genasführt?
haben wir genasführt?
habet ihr genasführt?
haben sie genasführt?

Konj. volt. verl. t.

hätte ich genasführt?
hättest du genasführt?
hätte er genasführt?
hätten wir genasführt?
hättet ihr genasführt?
hätten sie genasführt?

Toekomende aanvoegende wijs I

werde ich nasführen?
werdest du nasführen?
werde er nasführen?
werden wir nasführen?
werdet ihr nasführen?
werden sie nasführen?

Toek. volt. aanw.

werde ich genasführt haben?
werdest du genasführt haben?
werde er genasführt haben?
werden wir genasführt haben?
werdet ihr genasführt haben?
werden sie genasführt haben?

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

würde ich nasführen?
würdest du nasführen?
würde er nasführen?
würden wir nasführen?
würdet ihr nasführen?
würden sie nasführen?

Verleden cond.

würde ich genasführt haben?
würdest du genasführt haben?
würde er genasführt haben?
würden wir genasführt haben?
würdet ihr genasführt haben?
würden sie genasführt haben?

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord nasführen


Tegenwoordige tijd

nasführ(e)⁵ (du)
nasführen wir
nasführt (ihr)
nasführen Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor nasführen


Infinitief I


nasführen
zu nasführen

Infinitief II


genasführt haben
genasführt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


nasführend

Participle II


genasführt

  • Tom hat uns allesamt genasführt . 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor nasführen


  • Tom hat uns allesamt genasführt . 
    Engels Tom certainly fooled us all.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse nasführen


Duits nasführen
Engels dupe, hoax, deceive, fool
Russisch дурачить, одурачивать, одурачить, дразнить, обманывать
Spaans burlarse de, timar, tomar el pelo, burlarse, engañar
Frans mystifier, berner, tromper
Turks kandırmak, dalga geçmek
Portugees enganar, iludir
Italiaans turlupinare, prendere in giro
Roemeens păcăli pe cineva
Hongaars bolondítani
Pools oszukiwać, wprowadzać w błąd
Grieks κοροϊδεύω
Nederlands voor de gek houden
Tsjechisch klamat, podvádět
Zweeds dra vid näsan, lura, skämta
Deens tage ved næsen, narre
Japans からかう, 騙す
Catalaans enganyar
Fins huijata, narri
Noors bedra, lure
Baskisch engainatu, iruzur egin
Servisch zavaravati
Macedonisch забавувам, засмејувам
Sloveens zavajati
Slowaaks klamať, podvádzať
Bosnisch zavaravati
Kroatisch zavaravati
Oekraïens обманювати, підсміюватися
Bulgaars излъгвам, подигравам се
Wit-Russisch забавіць, змяшаць
Indonesisch membodohi, memperdaya
Vietnamees lừa, lừa bịp
Oezbeeks aldamoq, masxara qilish
Hindi बेवकूफ़ बनाना, मूर्ख बनाना
Chinees 愚弄, 戏弄
Thais หลอก, หลอกลวง
Koreaans 속이다, 우롱하다
Azerbeidzjaans aldatmaq, ələ salmaq
Georgisch გამასხარავება, მოტყუება
Bengaals ঠকানো, বোকা বানানো
Albanees mashtroj, tallem
Marathi फसवणे, मूर्ख बनवणे
Nepalees ठग्नु, मूर्ख बनाउनु
Telugu ఎగతాళి చేయు, మోసం చేయు
Lets apmuļķot, apmānīt
Tamil ஏமாற்று, முட்டாளாக்கு
Ests lollitama, petma
Armeens խաբել, ծաղրել
Koerdisch firîb kirin, xapandîn
Hebreeuwsלצחוק על מישהו
Arabischخداع
Perzischفریب دادن
Urduمذاق اڑانا

nasführen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van nasführen

  • jemanden zum Narren halten, anführen, verladen, foppen, verarschen, hereinlegen

nasführen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord nasführen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord nasführen


De vervoeging van het werkwoord nasführen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord nasführen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (nasführt? - nasführte? - hat genasführt?) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary nasführen en op nasführen in de Duden.

nasführen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich nasführ(e)?nasführte?nasführe?nasführte?-
du nasführst?nasführtest?nasführest?nasführtest?nasführ(e)
er nasführt?nasführte?nasführe?nasführte?-
wir nasführen?nasführten?nasführen?nasführten?nasführen
ihr nasführt?nasführtet?nasführet?nasführtet?nasführt
sie nasführen?nasführten?nasführen?nasführten?nasführen

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: nasführ(e) ich?, nasführst du?, nasführt er?, nasführen wir?, nasführt ihr?, nasführen sie?
  • Onvoltooid verleden tijd: nasführte ich?, nasführtest du?, nasführte er?, nasführten wir?, nasführtet ihr?, nasführten sie?
  • Perfectum: habe ich genasführt?, hast du genasführt?, hat er genasführt?, haben wir genasführt?, habt ihr genasführt?, haben sie genasführt?
  • Voltooid verleden tijd: hatte ich genasführt?, hattest du genasführt?, hatte er genasführt?, hatten wir genasführt?, hattet ihr genasführt?, hatten sie genasführt?
  • Toekomende tijd I: werde ich nasführen?, wirst du nasführen?, wird er nasführen?, werden wir nasführen?, werdet ihr nasführen?, werden sie nasführen?
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich genasführt haben?, wirst du genasführt haben?, wird er genasführt haben?, werden wir genasführt haben?, werdet ihr genasführt haben?, werden sie genasführt haben?

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: nasführe ich?, nasführest du?, nasführe er?, nasführen wir?, nasführet ihr?, nasführen sie?
  • Onvoltooid verleden tijd: nasführte ich?, nasführtest du?, nasführte er?, nasführten wir?, nasführtet ihr?, nasführten sie?
  • Perfectum: habe ich genasführt?, habest du genasführt?, habe er genasführt?, haben wir genasführt?, habet ihr genasführt?, haben sie genasführt?
  • Voltooid verleden tijd: hätte ich genasführt?, hättest du genasführt?, hätte er genasführt?, hätten wir genasführt?, hättet ihr genasführt?, hätten sie genasführt?
  • Toekomende tijd I: werde ich nasführen?, werdest du nasführen?, werde er nasführen?, werden wir nasführen?, werdet ihr nasführen?, werden sie nasführen?
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich genasführt haben?, werdest du genasführt haben?, werde er genasführt haben?, werden wir genasführt haben?, werdet ihr genasführt haben?, werden sie genasführt haben?

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: würde ich nasführen?, würdest du nasführen?, würde er nasführen?, würden wir nasführen?, würdet ihr nasführen?, würden sie nasführen?
  • Voltooid verleden tijd: würde ich genasführt haben?, würdest du genasführt haben?, würde er genasführt haben?, würden wir genasführt haben?, würdet ihr genasführt haben?, würden sie genasführt haben?

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: nasführ(e) (du), nasführen wir, nasführt (ihr), nasführen Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: nasführen, zu nasführen
  • Infinitief II: genasführt haben, genasführt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: nasführend
  • Participle II: genasführt

Opmerkingen



Inloggen

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 1731527

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 255871

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: nasführen