Vervoeging van het Duitse werkwoord mitrennen ⟨Vragende zin⟩

De vervoeging van het werkwoord mitrennen (meedoen, meelopen) is onregelmatig. De basisvormen zijn rennt mit?, rannte mit? en ist mitgerannt?. Het hulpwerkwoord van mitrennen is "sein". De eerste lettergreep mit- van mitrennen is scheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Vragende zin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord mitrennen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor mitrennen. Je kunt niet alleen mitrennen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Opmerkingen

onregelmatig · sein · scheidbaar

mit·rennen

rennt mit? · rannte mit? · ist mitgerannt?

 Verandering van de stamklinker  e - a - a 

Engels join in running, run along, participate in a race, run with

/mɪtˈʁɛnən/ · /ˈʁɛnnt mɪt/ · /ˈʁantə mɪt/ · /ˈʁɛntə mɪt/ · /mɪtɡəˈʁantn̩/

auch schnell laufen, wenn jemand anderes läuft; bei einem Laufwettbewerb mitmachen

» Ich würde nie beim New-York-Marathon mitrennen . Engels I would never run in the New York Marathon.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van mitrennen

Tegenwoordige tijd

renn(e)⁵ ich mit?
rennst du mit?
rennt er mit?
rennen wir mit?
rennt ihr mit?
rennen sie mit?

Onvoltooid verleden tijd

rannte ich mit?
ranntest du mit?
rannte er mit?
rannten wir mit?
ranntet ihr mit?
rannten sie mit?

Imperatief

-
renn(e)⁵ (du) mit
-
rennen wir mit
rennt (ihr) mit
rennen Sie mit

Konjunktief I

renne ich mit?
rennest du mit?
renne er mit?
rennen wir mit?
rennet ihr mit?
rennen sie mit?

Konjunktief II

rennte ich mit?
renntest du mit?
rennte er mit?
rennten wir mit?
renntet ihr mit?
rennten sie mit?

Infinitief

mitrennen
mitzurennen

Deelwoord

mitrennend
mitgerannt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord mitrennen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

renn(e)⁵ ich mit?
rennst du mit?
rennt er mit?
rennen wir mit?
rennt ihr mit?
rennen sie mit?

Onvoltooid verleden tijd

rannte ich mit?
ranntest du mit?
rannte er mit?
rannten wir mit?
ranntet ihr mit?
rannten sie mit?

Perfectum

bin ich mitgerannt?
bist du mitgerannt?
ist er mitgerannt?
sind wir mitgerannt?
seid ihr mitgerannt?
sind sie mitgerannt?

Volt. verl. tijd

war ich mitgerannt?
warst du mitgerannt?
war er mitgerannt?
waren wir mitgerannt?
wart ihr mitgerannt?
waren sie mitgerannt?

Toekomende tijd I

werde ich mitrennen?
wirst du mitrennen?
wird er mitrennen?
werden wir mitrennen?
werdet ihr mitrennen?
werden sie mitrennen?

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

werde ich mitgerannt sein?
wirst du mitgerannt sein?
wird er mitgerannt sein?
werden wir mitgerannt sein?
werdet ihr mitgerannt sein?
werden sie mitgerannt sein?

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord mitrennen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

renne ich mit?
rennest du mit?
renne er mit?
rennen wir mit?
rennet ihr mit?
rennen sie mit?

Konjunktief II

rennte ich mit?
renntest du mit?
rennte er mit?
rennten wir mit?
renntet ihr mit?
rennten sie mit?

Voltooid Konj.

sei ich mitgerannt?
seiest du mitgerannt?
sei er mitgerannt?
seien wir mitgerannt?
seiet ihr mitgerannt?
seien sie mitgerannt?

Konj. volt. verl. t.

wäre ich mitgerannt?
wärest du mitgerannt?
wäre er mitgerannt?
wären wir mitgerannt?
wäret ihr mitgerannt?
wären sie mitgerannt?

Toekomende aanvoegende wijs I

werde ich mitrennen?
werdest du mitrennen?
werde er mitrennen?
werden wir mitrennen?
werdet ihr mitrennen?
werden sie mitrennen?

Toek. volt. aanw.

werde ich mitgerannt sein?
werdest du mitgerannt sein?
werde er mitgerannt sein?
werden wir mitgerannt sein?
werdet ihr mitgerannt sein?
werden sie mitgerannt sein?

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

würde ich mitrennen?
würdest du mitrennen?
würde er mitrennen?
würden wir mitrennen?
würdet ihr mitrennen?
würden sie mitrennen?

Verleden cond.

würde ich mitgerannt sein?
würdest du mitgerannt sein?
würde er mitgerannt sein?
würden wir mitgerannt sein?
würdet ihr mitgerannt sein?
würden sie mitgerannt sein?

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord mitrennen


Tegenwoordige tijd

renn(e)⁵ (du) mit
rennen wir mit
rennt (ihr) mit
rennen Sie mit

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor mitrennen


Infinitief I


mitrennen
mitzurennen

Infinitief II


mitgerannt sein
mitgerannt zu sein

Tegenwoordig deelwoord


mitrennend

Participle II


mitgerannt

  • Ich würde nie beim New-York-Marathon mitrennen . 
  • Als die ersten Demonstranten vom Marktplatz abhauten, bin ich einfach mitgerannt . 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor mitrennen


  • Ich würde nie beim New-York-Marathon mitrennen . 
    Engels I would never run in the New York Marathon.
  • Als die ersten Demonstranten vom Marktplatz abhauten, bin ich einfach mitgerannt . 
    Engels When the first demonstrators ran away from the marketplace, I just ran along.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse mitrennen


Duits mitrennen
Engels join in running, run along, participate in a race, run with
Russisch бежать вместе, бежать за кем-то, участвовать в забеге
Spaans correr, correr con otros, correr junto, correr junto a otros, participar
Frans courir avec, courir, participer
Turks birlikte koşmak, birine yetişmek, koşmak, koşuya katılmak
Portugees correr junto, correr com outros, participar
Italiaans correre insieme, partecipare
Roemeens alerga împreună, participa la o cursă
Hongaars társaságban menni, utánafutás, versenyezni
Pools bieg razem, bieganie z kimś, biegnięcie za kimś, brać udział w biegu
Grieks τρέχω μαζί, τρέχω
Nederlands meedoen, meelopen, samenlopen, snel lopen
Tsjechisch běžet, běžet s někým, běžet s ostatními, závodit
Zweeds delta i lopp, springa med, springa tillsammans
Deens løbe med
Japans 一緒に走る, 参加する, 競走する, 追いかける
Catalaans córrer, córrer amb algú, córrer amb altres, participar
Fins juosta mukana, juosta perässä, kilpailla, muiden mukana meneminen
Noors delta i løp, løpe med, løpe sammen
Baskisch batera joan, lasterka joan, lasterketa
Servisch trčati, trčati zajedno, učestvovati
Macedonisch заедно трчам, трчање, учество во трка, учествувам
Sloveens sodelovati, teči, teči skupaj, teči za nekoga
Slowaaks bežať s niekým, bežať spolu, zúčastniť sa behu
Bosnisch trčati s drugima, trčati zajedno, učestvovati
Kroatisch trčati, trčati s drugima, trčati zajedno
Oekraïens бігти разом, бігти разом з іншими, участвувати в забігу
Bulgaars бягам заедно, бягам с другите, участвам в бягане
Wit-Russisch бегчы разам
Indonesisch berlari bersama, ikut berlari, ikut lomba lari, lari bersama
Vietnamees chạy cùng, chạy cùng nhau, chạy theo, tham gia cuộc đua
Oezbeeks birga yugurmoq, poyguda qatnashmoq, qo‘shilib yugurmoq
Hindi दौड़ में भाग लेना, पीछे-पीछे दौड़ना, साथ दौड़ना, साथ-साथ दौड़ना
Chinees 一起跑, 一起跑步, 参加跑步比赛, 跟着跑
Thais วิ่งตาม, วิ่งร่วมกับ, วิ่งไปด้วย, เข้าร่วมแข่งขันวิ่ง
Koreaans 경주에 참가하다, 따라 달리다, 함께 달리다
Azerbeidzjaans ardınca qaçmaq, birlikdə qaçmaq, yarışda iştirak etmək
Georgisch ერთად რბენა, ერთად სირბილი, რბოლაში მონაწილეობა
Bengaals একসাথে দৌড়া, দৌড়ে অংশ নেওয়া, পিছু পিছু দৌড়ানো, সঙ্গে দৌড়ানো
Albanees marr pjesë në garë, vrapoj bashkë, vrapoj pas, vrapojmë bashkë
Marathi एकत्र धावणे, धावण्याच्या स्पर्धेत भाग घेणे, बरोबर धावणे, सोबत धावणे
Nepalees दौडमा भाग लिनु, पछिपछि दौडनु, संगै दौडनु
Telugu కలిసి పరుగెత్తడం, పరుగులో పాల్గొనడం, వెంట పరుగెత్తడం
Lets kopā skriet, piedalīties skrējienā, skriet kopā, skriet līdzi
Tamil கூட்டு ஓடுதல், சேர்ந்து ஓடுதல், பங்கேற்க, பின்தொடர்ந்து ஓடுதல்
Ests kaasa jooksma, koos jooksma, koos joosta, osaleda jooksus
Armeens համատեղ վազել, հետևից վազել, մասնակցել վազքի մրցույթին, միասին վազել
Koerdisch bi hev re revîn, yarışê beşdar bûn
Hebreeuwsלרוץ יחד، לרוץ
Arabischالركض مع، الركض مع الآخرين، المشاركة في السباق
Perzischهمراه دویدن، دویدن در مسابقه، دوییدن با، همراهی کردن
Urduساتھ دوڑنا، دوڑ میں شریک ہونا، ساتھ جانا، مل کر چلنا

mitrennen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van mitrennen

  • auch schnell laufen, wenn jemand anderes läuft, bei einem Laufwettbewerb mitmachen

mitrennen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord mitrennen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord mitrennen


De vervoeging van het werkwoord mit·rennen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord mit·rennen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (rennt mit? - rannte mit? - ist mitgerannt?) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary mitrennen en op mitrennen in de Duden.

mitrennen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich renn(e) mit?rannte mit?renne mit?rennte mit?-
du rennst mit?ranntest mit?rennest mit?renntest mit?renn(e) mit
er rennt mit?rannte mit?renne mit?rennte mit?-
wir rennen mit?rannten mit?rennen mit?rennten mit?rennen mit
ihr rennt mit?ranntet mit?rennet mit?renntet mit?rennt mit
sie rennen mit?rannten mit?rennen mit?rennten mit?rennen mit

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: renn(e) ich mit?, rennst du mit?, rennt er mit?, rennen wir mit?, rennt ihr mit?, rennen sie mit?
  • Onvoltooid verleden tijd: rannte ich mit?, ranntest du mit?, rannte er mit?, rannten wir mit?, ranntet ihr mit?, rannten sie mit?
  • Perfectum: bin ich mitgerannt?, bist du mitgerannt?, ist er mitgerannt?, sind wir mitgerannt?, seid ihr mitgerannt?, sind sie mitgerannt?
  • Voltooid verleden tijd: war ich mitgerannt?, warst du mitgerannt?, war er mitgerannt?, waren wir mitgerannt?, wart ihr mitgerannt?, waren sie mitgerannt?
  • Toekomende tijd I: werde ich mitrennen?, wirst du mitrennen?, wird er mitrennen?, werden wir mitrennen?, werdet ihr mitrennen?, werden sie mitrennen?
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich mitgerannt sein?, wirst du mitgerannt sein?, wird er mitgerannt sein?, werden wir mitgerannt sein?, werdet ihr mitgerannt sein?, werden sie mitgerannt sein?

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: renne ich mit?, rennest du mit?, renne er mit?, rennen wir mit?, rennet ihr mit?, rennen sie mit?
  • Onvoltooid verleden tijd: rennte ich mit?, renntest du mit?, rennte er mit?, rennten wir mit?, renntet ihr mit?, rennten sie mit?
  • Perfectum: sei ich mitgerannt?, seiest du mitgerannt?, sei er mitgerannt?, seien wir mitgerannt?, seiet ihr mitgerannt?, seien sie mitgerannt?
  • Voltooid verleden tijd: wäre ich mitgerannt?, wärest du mitgerannt?, wäre er mitgerannt?, wären wir mitgerannt?, wäret ihr mitgerannt?, wären sie mitgerannt?
  • Toekomende tijd I: werde ich mitrennen?, werdest du mitrennen?, werde er mitrennen?, werden wir mitrennen?, werdet ihr mitrennen?, werden sie mitrennen?
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: werde ich mitgerannt sein?, werdest du mitgerannt sein?, werde er mitgerannt sein?, werden wir mitgerannt sein?, werdet ihr mitgerannt sein?, werden sie mitgerannt sein?

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: würde ich mitrennen?, würdest du mitrennen?, würde er mitrennen?, würden wir mitrennen?, würdet ihr mitrennen?, würden sie mitrennen?
  • Voltooid verleden tijd: würde ich mitgerannt sein?, würdest du mitgerannt sein?, würde er mitgerannt sein?, würden wir mitgerannt sein?, würdet ihr mitgerannt sein?, würden sie mitgerannt sein?

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: renn(e) (du) mit, rennen wir mit, rennt (ihr) mit, rennen Sie mit

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: mitrennen, mitzurennen
  • Infinitief II: mitgerannt sein, mitgerannt zu sein
  • Tegenwoordig deelwoord: mitrennend
  • Participle II: mitgerannt

Opmerkingen



Inloggen

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 1164669

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 1164669