Voorbeeldzinnen met het werkwoord wohnen

Voorbeelden van het gebruik van de vervoeging van het werkwoord wohnen. Dit zijn echte zinnen en zinnen uit het project Tatoeba. Voor elke vervoegde vorm wordt zo'n voorbeeldzin getoond. De werkwoordsvorm wordt gemarkeerd. Als er meer dan één zin is, wordt er willekeurig een voorbeeld met het Duitse werkwoord wohnen gekozen. Om de vervoeging niet alleen aan de hand van voorbeelden te begrijpen, maar ook te oefenen, zijn er werkbladen voor het werkwoord wohnen beschikbaar.

Tegenwoordige tijd

  • Er wohnt hier. 
    Engels He lives here.
  • Ich wohne hier. 
    Engels I live here.
  • Er wohnt neben uns. 
    Engels He lives next to us.
  • Er wohnt in einem Dorf. 
    Engels He lives in a village.
  • Tom wohnt jetzt bei seinem Onkel. 
    Engels Tom is living with his uncle now.
  • Tom wohnt in der Nähe des Flughafens. 
    Engels Tom lives near the airport.
  • Er wohnt in einem kleinen, gemütlichen Haus. 
    Engels He lives in a little cozy house.
  • Er wohnt in der Stadt und sein Bruder auf dem Land. 
    Engels He lives in the city and his brother in the countryside.
  • Er wohnt nebenan. 
    Engels He lives next door to us.
  • Wo wohnst du? 
    Engels Where do you live?

Onvoltooid verleden tijd

  • Tom wohnte nebenan. 
    Engels Tom lived next door to us.
  • Wohnten Sie hier? 
    Engels Did you live here?
  • Früher wohnte er hier. 
    Engels He used to live here.
  • Er wohnte in einem abgelegenen Haus. 
    Engels He lived in a remote house.
  • Roland hatte mir zugeflüstert, auf den Färöern wohnten jene, die die Wikingerschiffe wegen Seekrankheit verlassen mussten, als sie auf dem Weg nach Island waren. 
    Engels Roland whispered to me that those who had to leave the Viking ships due to seasickness lived in the Faroe Islands when they were on their way to Iceland.
  • Astrid wohnte ein paar Bushaltestellen vom Gymnasium entfernt. 
    Engels Astrid lived a few bus stops away from the gymnasium.

Konjunktief I

-

Konjunktief II

-

Imperatief

-

Infinitief

  • Mir missfällt, an so einem lauten Ort zu wohnen . 
    Engels I dislike living in such a noisy place.

Deelwoord

  • Ich habe hier gewohnt . 
    Engels I have lived here.
  • Ich habe früher in einem kleinen Apartment gewohnt . 
    Engels I used to live in an efficiency.
  • Das Ferienhaus, in dem wir gewohnt haben, war sehr schön. 
    Engels The holiday house we stayed in was very beautiful.

 Werkwoordschema Regels  Definities 

indicatief

Voorbeeldzinnen in de aantonende wijs Actief voor het werkwoord wohnen


  • Er wohnt hier. 
    Engels He lives here.
  • Ich wohne hier. 
    Engels I live here.
  • Er wohnt neben uns. 
    Engels He lives next to us.
  • Er wohnt in einem Dorf. 
    Engels He lives in a village.
  • Tom wohnt jetzt bei seinem Onkel. 
    Engels Tom is living with his uncle now.
  • Tom wohnt in der Nähe des Flughafens. 
    Engels Tom lives near the airport.
  • Er wohnt in einem kleinen, gemütlichen Haus. 
    Engels He lives in a little cozy house.
  • Er wohnt in der Stadt und sein Bruder auf dem Land. 
    Engels He lives in the city and his brother in the countryside.
  • Er wohnt nebenan. 
    Engels He lives next door to us.
  • Wo wohnst du? 
    Engels Where do you live?
  • Tom wohnt am Stadtrand. 
    Engels Tom lives on the outskirts of the city.
  • Leider wohnt sie im Ausland. 
    Engels Unfortunately, she lives abroad.
  • Toms Familie wohnt ein Stockwerk höher. 
    Engels Tom's family lives one floor up.
  • Der alte Bär wohnt über den Hasen. 
    Engels The old bear lives above the rabbits.
  • Mein Cousin wohnt nur fünf Minuten von der Universität entfernt. 
    Engels My cousin lives only five minutes away from the university.

 Werkwoordschema

Conjunctief

Gebruik van de conjunctief Actief voor het werkwoord wohnen

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen met "würde"

Imperatief

Zinnen in de gebiedende wijs Actief voor het werkwoord wohnen

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse wohnen


Duits wohnen
Engels reside, live, stay, dwell, abide, abide in, be in residence, inhabit
Russisch жить, проживать, временно проживать, прожить, снимать квартиру
Spaans residir, habitar, vivir, vivir en, alojarse, estar alojado, habitar en, morar en
Frans habiter, demeurer, habiter h muet, loger, loger quelque part, occuper, résider, habiter à
Turks ikamet etmek, oturmak, kalmak, konaklamak, yaşamak
Portugees habitar, morar, residir, viver
Italiaans abitare, alloggiare, risiedere, soggiornare, stare, dimorare
Roemeens locui, fi cazat, trăi
Hongaars lakni, lakik, szállás, élni
Pools mieszkać, zamieszkiwać, zamieszkać
Grieks κατοικώ, διαμένω, μένω
Nederlands wonen, verblijven
Tsjechisch bydlet, být ubytován, přebývat, žít
Zweeds bo, inhysa
Deens bo, opholde
Japans 住む, 滞在する, 住まう, 居住する, 暮らす
Catalaans habitar, allotjar-se, residir, viure
Fins asua, elää, majailla, majoittua, oleilla
Noors bo, opphold
Baskisch alojamendu, bizi, bizitzen, egon
Servisch boraviti, stanovati, živeti, становати
Macedonisch живеат, престојуваат
Sloveens bivati, imati bivališče, živeti
Slowaaks bývať, ubytovať sa, žiť
Bosnisch boraviti, stanovati, živjeti
Kroatisch stanovati, boraviti, živjeti
Oekraïens проживати, жити, мешкати
Bulgaars живея, пребивавам
Wit-Russisch жыць, пражываць
Indonesisch tinggal, tinggal sementara
Vietnamees cư trú, trú ngụ tạm thời
Oezbeeks joylashmoq, vaqtinchalik yashamoq
Hindi अस्थायी रूप से रहना, निवास करना
Chinees 临时居住, 居住
Thais อาศัยชั่วคราว, อาศัยอยู่
Koreaans 거주하다, 임시로 거주하다
Azerbeidzjaans müvəqqəti yaşamaq, yerleşmək
Georgisch დასახლდე, დროებით ცხოვრება
Bengaals অস্থায়ীভাবে থাকা, বসবাস করা
Albanees jetoj, qëndroj përkohësisht
Marathi तात्पुरते राहणे, वसणे
Nepalees अस्थायी रूपमा बस्नु, बस्न
Telugu తాత్కాలికంగా నివసించడం, నివాసించుట
Lets dzīvot, īslaicīgi uzturēties
Tamil தற்காலமாக வசிப்பது, வசிப்பது
Ests ajutiselt elama, elama
Armeens բնակվել, ժամանակավոր բնակվել
Koerdisch demêkê li wir dijîn, jîn
Hebreeuwsלגור، להתגורר
Arabischالإقامة، السكن، سَكَنَ، يسكن، يعيش
Perzischزندگی کردن، اقامت، ساکن بودن، سکونت، سکونت داشتن، سکونت موقت، منزل داشتن
Urduرہائش، اقامت، سکونت

wohnen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van wohnen

  • wesentliche Zeit seines Lebens an einem bestimmten, geschützten Ort verbringen, breitmachen, hausen, leben, (sich) niederlassen, seine Anschrift/Adresse haben
  • zeitweilig eine Unterkunft haben, vorübergehend untergebracht sein, (sich) breitmachen, hausen, leben, logieren, (sich) niederlassen
  • Unterkunft haben, leben, hausen, leben, jemandes Zuhause sein, (sein) Zuhause haben

wohnen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Opmerkingen



Inloggen

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 2078, 21445, 280116, 28828, 28692, 103687, 2078

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 6742012, 444985, 567373, 501434, 452169, 8128070, 647746, 721383, 392883, 10177243, 1309236, 402034, 1239296, 1204771, 927198, 1503665, 5366019, 1309732, 7528236, 10485792

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 2078, 2078

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: wohnen