Vervoeging van het Duitse werkwoord bimsen

De vervoeging van het werkwoord bimsen (oefenen, schuren) is regelmatig. De basisvormen zijn bimst, bimste en hat gebimst. Het hulpwerkwoord van bimsen is "haben". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord bimsen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor bimsen. Je kunt niet alleen bimsen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

C2 · regelmatig · haben

bimsen

bimst · bimste · hat gebimst

 s-Samentrekking en e-Uitbreiding 

Engels cram, drill, strike, fuck, grind, hit, intercourse, learn, polish, practice, sex

/ˈbɪmzən/ · /bɪmst/ · /ˈbɪmstə/ · /ɡəˈbɪmst/

[…, Militär, Wissenschaft] viel, und dabei mehr oder minder sinnvoll, üben lassen; auf jemanden einschlagen; lernen, drillen, prügeln, studieren

(acc.)

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van bimsen

Tegenwoordige tijd

ich bims(e)⁵
du bimst
er bimst
wir bimsen
ihr bimst
sie bimsen

Onvoltooid verleden tijd

ich bimste
du bimstest
er bimste
wir bimsten
ihr bimstet
sie bimsten

Imperatief

-
bims(e)⁵ (du)
-
bimsen wir
bimst (ihr)
bimsen Sie

Konjunktief I

ich bimse
du bimsest
er bimse
wir bimsen
ihr bimset
sie bimsen

Konjunktief II

ich bimste
du bimstest
er bimste
wir bimsten
ihr bimstet
sie bimsten

Infinitief

bimsen
zu bimsen

Deelwoord

bimsend
gebimst

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord bimsen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich bims(e)⁵
du bimst
er bimst
wir bimsen
ihr bimst
sie bimsen

Onvoltooid verleden tijd

ich bimste
du bimstest
er bimste
wir bimsten
ihr bimstet
sie bimsten

Perfectum

ich habe gebimst
du hast gebimst
er hat gebimst
wir haben gebimst
ihr habt gebimst
sie haben gebimst

Volt. verl. tijd

ich hatte gebimst
du hattest gebimst
er hatte gebimst
wir hatten gebimst
ihr hattet gebimst
sie hatten gebimst

Toekomende tijd I

ich werde bimsen
du wirst bimsen
er wird bimsen
wir werden bimsen
ihr werdet bimsen
sie werden bimsen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde gebimst haben
du wirst gebimst haben
er wird gebimst haben
wir werden gebimst haben
ihr werdet gebimst haben
sie werden gebimst haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord bimsen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich bimse
du bimsest
er bimse
wir bimsen
ihr bimset
sie bimsen

Konjunktief II

ich bimste
du bimstest
er bimste
wir bimsten
ihr bimstet
sie bimsten

Voltooid Konj.

ich habe gebimst
du habest gebimst
er habe gebimst
wir haben gebimst
ihr habet gebimst
sie haben gebimst

Konj. volt. verl. t.

ich hätte gebimst
du hättest gebimst
er hätte gebimst
wir hätten gebimst
ihr hättet gebimst
sie hätten gebimst

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde bimsen
du werdest bimsen
er werde bimsen
wir werden bimsen
ihr werdet bimsen
sie werden bimsen

Toek. volt. aanw.

ich werde gebimst haben
du werdest gebimst haben
er werde gebimst haben
wir werden gebimst haben
ihr werdet gebimst haben
sie werden gebimst haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde bimsen
du würdest bimsen
er würde bimsen
wir würden bimsen
ihr würdet bimsen
sie würden bimsen

Verleden cond.

ich würde gebimst haben
du würdest gebimst haben
er würde gebimst haben
wir würden gebimst haben
ihr würdet gebimst haben
sie würden gebimst haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord bimsen


Tegenwoordige tijd

bims(e)⁵ (du)
bimsen wir
bimst (ihr)
bimsen Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor bimsen


Infinitief I


bimsen
zu bimsen

Infinitief II


gebimst haben
gebimst zu haben

Tegenwoordig deelwoord


bimsend

Participle II


gebimst

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse bimsen


Duits bimsen
Engels cram, drill, strike, fuck, grind, hit, intercourse, learn
Russisch заниматься сексом, обрабатывать, практиковать, ударить, упражнять
Spaans apomazar, coito, ejercitar, golpear, practicar, pulir, relaciones sexuales
Frans poncer, avoir des relations sexuelles, exercer, frapper, limer, meuler, pratiquer
Turks bimslemek, birisini düzmek, cinsel ilişki, dövmek, ezberlemek, pataklamak, saldırmak, çalıştırmak
Portugees agredir, bater, exercitar, fazer sexo, lixar, praticar, ter relações
Italiaans colpire, addestrare, allenare, esercitare, fare sesso, legnare, levigare, raschiare
Roemeens exersa, lovi, lovi pe cineva, lucra cu piatră ponce, practica, sex
Hongaars bimszelni, gyakoroltatás, szexelni, verni, ütni
Pools ćwiczyć, bić, musztrować, obryć, szlifować, uderzać, uprawiać seks, wkuwać
Grieks ασκώ, εκπαίδευση, σεξουαλική επαφή, τρίψιμο, χτυπώ
Nederlands oefenen, schuren, schuren met een bimssteen, seks hebben, slaan
Tsjechisch brousit, cvičit, sex, útočit na někoho
Zweeds ha sex, slipa, slå, träna, öva
Deens have sex, slibe, slå på nogen, øve
Japans 叩く, 性交, 殴る, 研磨する, 練習させる
Catalaans colpejar, practicar, raspar, relacions sexuals
Fins harjoituttaa, hiomapinta, iskeminen, lyöminen, seksiä
Noors bearbeide, ha sex, slå på noen, trene, øve
Baskisch aritu, bimsa, kolpeka jo, praktikatu, sexu-harremanak
Servisch brusiti, imati seksualni odnos, praksirati, udariti, vežbati
Macedonisch вежбање, обработува, секс, удар
Sloveens brušenje, imeti spolni odnos, praktično, udareti, vaditi
Slowaaks brúsiť, cvičiť, sex, udrieť na niekoho
Bosnisch brusiti, imati seksualni odnos, udariti, vježbanje, vježbati
Kroatisch brusiti, imati spolni odnos, udariti, vježbanje, vježbati
Oekraïens бити, обробляти, практикувати, секс, тренувати, ударити, інтим
Bulgaars обработвам с бимсов камък, секс, сексуален акт, тренировка, удрям, упражнявам
Wit-Russisch апрацоўваць, біць, практыкаваць, сэкс, ударыць
Indonesisch bercinta, berhubungan seks, melatih, memukuli, menggembleng, menggosok dengan batu apung, menghajar
Vietnamees bắt học vẹt, chà bằng đá bọt, làm tình, mài bằng đá bọt, nhồi nhét, quan hệ tình dục, đánh, đánh đập
Oezbeeks do'pposlamoq, jinsiy aloqa qilish, kaltaklamoq, mashq qildirmoq, pemza bilan ishqalamoq, seks qilish, yodlatmoq
Hindi अभ्यास कराना, कूटना, झांवा से घिसना, पीटना, प्यूमिस से घिसना, रटाना, संभोग करना, सेक्स करना
Chinees 做爱, 反复操练, 发生性关系, 填鸭式教学, 殴打, 用浮石打磨, 用浮石擦, 痛打
Thais ขัดด้วยหินภูเขาไฟ, ซ้อม, ทำร้ายร่างกาย, มีเซ็กส์, มีเพศสัมพันธ์, ยัดเยียดความรู้, ให้ท่องจำ
Koreaans 구타하다, 반복 훈련시키다, 부석으로 문지르다, 성교하다, 섹스하다, 주입식으로 가르치다, 패다
Azerbeidzjaans cinsi əlaqədə olmaq, döymək, məşq etdirmək, pemza ilə işləmək, pemza ilə sürtmək, seks etmək, əzbər etdirmək
Georgisch ავარჯიშება, თავში ჩაჭედება, პემზით გახეხვა, პემზით დამუშავება, სექსი ქონა, სქესობრივი კავშირი ქონა, ცემა
Bengaals ড্রিল করানো, পিউমিস দিয়ে ঘষা, পিউমিস দিয়ে মাজা, পেটানো, মারধর করা, মুখস্থ করানো, যৌনমিলন করা, সেক্স করা
Albanees bëj seks, bëj të mësojë përmendësh, fërkoj me pemzë, grushtoj, kryej marrëdhënie seksuale, rrah, stërvit, trajtoj me pemzë
Marathi घोकंपट्टी लावणे, चोपणे, प्यूमिसने घासणे, मारहाण करणे, संभोग करणे, सेक्स करणे
Nepalees अभ्यास गराउनु, कुट्नु, पिट्नु, प्यूमिस ढुंगाले घस्नु, यौन सम्बन्ध गर्नु, रटाउनु, सेक्स गर्नु
Telugu అభ్యాసం చేయించడం, కంఠస్థం చేయించడం, కొట్టడం, చితకబాదడం, ప్యూమిస్ రాయితో రుద్దు, లైంగిక సంబంధం కలగడం, సెక్స్ చేయడం
Lets apstrādāt ar pemzu, drillēt, iedzīt galvā, mīlēties, noberzt ar pemzu, nodarboties ar seksu, piekaut, sist
Tamil அடித்தல், உடலுறவு கொள்ள, செக்ஸ் செய்ய, தடியடித்தல், பயிற்சி கொடுக்கவைத்தல், ப்யூமிஸ் கல்லால் உரசு, ப்யூமிஸ் கல்லால் தேய், மனப்பாடம் சொல்லவைத்தல்
Ests armatseda, drillima, kolkima, peksma, pimsskiviga hõõruma, pimsskiviga töötlema, pähe tuupima, seksida
Armeens անգիր անել տալ, ծեծել, պեմզայով մշակել, պեմզայով շփել, սեռական հարաբերություն ունենալ, սեքս անել, վարժեցնել
Koerdisch lêdan, seks kirin, talîmkirin
Hebreeuwsלְהַתְאִים، להכות، ללטש، קיום יחסי מין
Arabischتدريب، تلميع، ضرب، ممارسة الجنس، هجوم
Perzischتمرین بی‌فایده، سوهان زدن، ضربه زدن به کسی، مقعدی
Urduبیمس پتھر، جنسی تعلق، ضرب دینا، مارنا، محنت، مشقت

bimsen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van bimsen

  • lernen, büffeln, einverleiben, pauken, ochsen, sich reinziehen
  • [Militär] viel, und dabei mehr oder minder sinnvoll, üben lassen, drillen, schinden
  • auf jemanden einschlagen, prügeln, schlagen
  • Geschlechtsverkehr haben
  • etwas mit einem Bimsstein bearbeiten
  • ...

bimsen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord bimsen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord bimsen


De vervoeging van het werkwoord bimsen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord bimsen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (bimst - bimste - hat gebimst) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary bimsen en op bimsen in de Duden.

bimsen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich bims(e)bimstebimsebimste-
du bimstbimstestbimsestbimstestbims(e)
er bimstbimstebimsebimste-
wir bimsenbimstenbimsenbimstenbimsen
ihr bimstbimstetbimsetbimstetbimst
sie bimsenbimstenbimsenbimstenbimsen

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich bims(e), du bimst, er bimst, wir bimsen, ihr bimst, sie bimsen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich bimste, du bimstest, er bimste, wir bimsten, ihr bimstet, sie bimsten
  • Perfectum: ich habe gebimst, du hast gebimst, er hat gebimst, wir haben gebimst, ihr habt gebimst, sie haben gebimst
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte gebimst, du hattest gebimst, er hatte gebimst, wir hatten gebimst, ihr hattet gebimst, sie hatten gebimst
  • Toekomende tijd I: ich werde bimsen, du wirst bimsen, er wird bimsen, wir werden bimsen, ihr werdet bimsen, sie werden bimsen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gebimst haben, du wirst gebimst haben, er wird gebimst haben, wir werden gebimst haben, ihr werdet gebimst haben, sie werden gebimst haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich bimse, du bimsest, er bimse, wir bimsen, ihr bimset, sie bimsen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich bimste, du bimstest, er bimste, wir bimsten, ihr bimstet, sie bimsten
  • Perfectum: ich habe gebimst, du habest gebimst, er habe gebimst, wir haben gebimst, ihr habet gebimst, sie haben gebimst
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte gebimst, du hättest gebimst, er hätte gebimst, wir hätten gebimst, ihr hättet gebimst, sie hätten gebimst
  • Toekomende tijd I: ich werde bimsen, du werdest bimsen, er werde bimsen, wir werden bimsen, ihr werdet bimsen, sie werden bimsen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde gebimst haben, du werdest gebimst haben, er werde gebimst haben, wir werden gebimst haben, ihr werdet gebimst haben, sie werden gebimst haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde bimsen, du würdest bimsen, er würde bimsen, wir würden bimsen, ihr würdet bimsen, sie würden bimsen
  • Voltooid verleden tijd: ich würde gebimst haben, du würdest gebimst haben, er würde gebimst haben, wir würden gebimst haben, ihr würdet gebimst haben, sie würden gebimst haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: bims(e) (du), bimsen wir, bimst (ihr), bimsen Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: bimsen, zu bimsen
  • Infinitief II: gebimst haben, gebimst zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: bimsend
  • Participle II: gebimst

Opmerkingen



Inloggen

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: bimsen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 720211, 720211, 720211, 720211, 720211