Vervoeging van het Duitse werkwoord bevorteilen

De vervoeging van het werkwoord bevorteilen (begunstigen, benadelen) is regelmatig. De basisvormen zijn bevorteilt, bevorteilte en hat bevorteilt. Het hulpwerkwoord van bevorteilen is "haben". Het voorvoegsel be- van bevorteilen is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord bevorteilen beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor bevorteilen. Je kunt niet alleen bevorteilen vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

C2 · regelmatig · haben · onlosmakelijk

bevorteilen

bevorteilt · bevorteilte · hat bevorteilt

Engels exploit, favor, give an advantage, prefer, take advantage of, cheat

/bəˈfɔʁˌtaɪlən/ · /bəˈfɔʁˌtaɪlt/ · /bəˈfɔʁˌtaɪltə/ · /bəˈfɔʁˌtaɪlt/

jemanden, etwas besser behandeln als andere; jemanden ausnutzen, ihm (finanziellen) Schaden zufügen; begünstigen, ausnutzen, besserstellen, schaden

acc.

» Der Schiedsrichter bevorteilt die Mannschaft seines Landes. Engels The referee favors the team of his country.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van bevorteilen

Tegenwoordige tijd

ich bevorteil(e)⁵
du bevorteilst
er bevorteilt
wir bevorteilen
ihr bevorteilt
sie bevorteilen

Onvoltooid verleden tijd

ich bevorteilte
du bevorteiltest
er bevorteilte
wir bevorteilten
ihr bevorteiltet
sie bevorteilten

Imperatief

-
bevorteil(e)⁵ (du)
-
bevorteilen wir
bevorteilt (ihr)
bevorteilen Sie

Konjunktief I

ich bevorteile
du bevorteilest
er bevorteile
wir bevorteilen
ihr bevorteilet
sie bevorteilen

Konjunktief II

ich bevorteilte
du bevorteiltest
er bevorteilte
wir bevorteilten
ihr bevorteiltet
sie bevorteilten

Infinitief

bevorteilen
zu bevorteilen

Deelwoord

bevorteilend
bevorteilt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord bevorteilen vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich bevorteil(e)⁵
du bevorteilst
er bevorteilt
wir bevorteilen
ihr bevorteilt
sie bevorteilen

Onvoltooid verleden tijd

ich bevorteilte
du bevorteiltest
er bevorteilte
wir bevorteilten
ihr bevorteiltet
sie bevorteilten

Perfectum

ich habe bevorteilt
du hast bevorteilt
er hat bevorteilt
wir haben bevorteilt
ihr habt bevorteilt
sie haben bevorteilt

Volt. verl. tijd

ich hatte bevorteilt
du hattest bevorteilt
er hatte bevorteilt
wir hatten bevorteilt
ihr hattet bevorteilt
sie hatten bevorteilt

Toekomende tijd I

ich werde bevorteilen
du wirst bevorteilen
er wird bevorteilen
wir werden bevorteilen
ihr werdet bevorteilen
sie werden bevorteilen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde bevorteilt haben
du wirst bevorteilt haben
er wird bevorteilt haben
wir werden bevorteilt haben
ihr werdet bevorteilt haben
sie werden bevorteilt haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Der Schiedsrichter bevorteilt die Mannschaft seines Landes. 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord bevorteilen in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich bevorteile
du bevorteilest
er bevorteile
wir bevorteilen
ihr bevorteilet
sie bevorteilen

Konjunktief II

ich bevorteilte
du bevorteiltest
er bevorteilte
wir bevorteilten
ihr bevorteiltet
sie bevorteilten

Voltooid Konj.

ich habe bevorteilt
du habest bevorteilt
er habe bevorteilt
wir haben bevorteilt
ihr habet bevorteilt
sie haben bevorteilt

Konj. volt. verl. t.

ich hätte bevorteilt
du hättest bevorteilt
er hätte bevorteilt
wir hätten bevorteilt
ihr hättet bevorteilt
sie hätten bevorteilt

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde bevorteilen
du werdest bevorteilen
er werde bevorteilen
wir werden bevorteilen
ihr werdet bevorteilen
sie werden bevorteilen

Toek. volt. aanw.

ich werde bevorteilt haben
du werdest bevorteilt haben
er werde bevorteilt haben
wir werden bevorteilt haben
ihr werdet bevorteilt haben
sie werden bevorteilt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde bevorteilen
du würdest bevorteilen
er würde bevorteilen
wir würden bevorteilen
ihr würdet bevorteilen
sie würden bevorteilen

Verleden cond.

ich würde bevorteilt haben
du würdest bevorteilt haben
er würde bevorteilt haben
wir würden bevorteilt haben
ihr würdet bevorteilt haben
sie würden bevorteilt haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord bevorteilen


Tegenwoordige tijd

bevorteil(e)⁵ (du)
bevorteilen wir
bevorteilt (ihr)
bevorteilen Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor bevorteilen


Infinitief I


bevorteilen
zu bevorteilen

Infinitief II


bevorteilt haben
bevorteilt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


bevorteilend

Participle II


bevorteilt

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor bevorteilen


  • Der Schiedsrichter bevorteilt die Mannschaft seines Landes. 
    Engels The referee favors the team of his country.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse bevorteilen


Duits bevorteilen
Engels exploit, favor, give an advantage, prefer, take advantage of, cheat
Russisch благоприятствовать, недостаток, предпочитать, привилегировать
Spaans explotar, favorecer, perjudicar
Frans avantager, favoriser
Turks avantaj sağlamak, ayrımcılık yapmak, kayırmak
Portugees beneficiar, explorar, favorecer, prejudicar
Italiaans favorire, avvantaggiare, imbrogliare, prejudicare, privilegiare, sfruttare, truffare
Roemeens avantaja, dezavantaja, favoriza, prejudicia
Hongaars előnyben részesít, hátrányos megkülönböztetés, kizsákmányolás
Pools faworyzować, krzywdzić, preferować
Grieks εκμετάλλευση, ευνοώ
Nederlands begunstigen, benadelen, bevoordelen, schaden, voordelen
Tsjechisch poškodit, preferovat, upřednostňovat, znevýhodnit
Zweeds favorisera, gynna, skada, utnyttja
Deens begunstige, favorisere, udnytte
Japans 優遇する, 利用する, 損なう, 特別扱いする
Catalaans afavorir, explotar, perjudicar
Fins hyödyntää, suosia, vahingoittaa
Noors begunstige, favorisere, utnytte
Baskisch abusu, aldeko, kalte egin, pribilegiatu
Servisch favorizovati, iskoristiti, naneti štetu, prednost
Macedonisch искористување, предност, штета
Sloveens izkoristiti, prednostiti
Slowaaks favorizovať, poškodiť, uprednostniť, znevýhodniť
Bosnisch favorizovati, iskoristiti, nanijeti štetu, prednost
Kroatisch favorizirati, iskoristiti, nanijeti štetu, prednost
Oekraïens використовувати, завдавати шкоди, перевага, привілей
Bulgaars предимство, предпочитание, привилегировать
Wit-Russisch выманіць, забраць, прывілеяваць
Indonesisch memanfaatkan seseorang, memihak, mengistimewakan, merugikan seseorang
Vietnamees làm hại ai đó về tài chính, lợi dụng ai đó, thiên vị, ưu ái
Oezbeeks afzal ko‘rmoq, imtiyoz bermoq, kimdandir sui-istimal qilish, kimdarga zarar keltirish
Hindi किसी का फायदा उठाना, तरजीह देना, पक्षपात करना, शोषण करना
Chinees 优待, 偏袒, 利用某人, 剥削某人
Thais ลำเอียง, เอาประโยชน์จากผู้อื่น, เอาเปรียบผู้อื่น, ให้สิทธิพิเศษ
Koreaans 남을 이용하다, 우대하다, 착취하다, 편애하다
Azerbeidzjaans birindən istifadə etmek, imtiyaz vermək, istismar etmək, üstünlük vermək
Georgisch ვინმეზე ზიანის მიყენება, ვინმეს გამოყენება, მიკერძოებულად მოქცევა, უპირატესობის მინიჭება
Bengaals কাউকে কাজে লাগানো, পক্ষপাত করা, প্রাধান্য দেওয়া, শোষণ করা
Albanees dëmtoj dikë, favorizoj, shfrytëzoj dikë, trajtoj më mirë
Marathi पक्षपात करणे, प्राधान्य देणे, शोषण करणे
Nepalees कसैको फाइदा उठाउनु, पक्षपात गर्नु, प्राथमिकता दिनु, शोषण गर्नु
Telugu ఎవరినీ వాడావడం, ఎవరుకు నష్టం కలిగించడం, పక్షపాతం చూపు, ప్రాధాన్యం ఇవ్వు
Lets dot priekšrocības, favorizēt, izmantot kādu, kaitēt kādam
Tamil அனுகூலப்படுத்துதல், பாரபட்சம் காட்டுதல், யாருக்கு நட்டம் செய்யுதல், யாரை பயனாகப் பயன்படுத்துவது
Ests eelistama, kedagi ära kasutama, kellegi kahju tekitama, soosima
Armeens արտոնել, մարդուց օգտվել, նախընտրել, վնաս տալ
Koerdisch cihetgirî kirin, kesê fayde kirin, kesê istismar kirin, tercîh kirin
Hebreeuwsלהעדיף، להזיק
Arabischاستغلال، تفضيل
Perzischاستفاده ابزاری، ترجیح دادن، سودجویی
Urduبہتر سلوک کرنا، ترجیح دینا، مفاد اٹھانا، نقصان پہنچانا

bevorteilen in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van bevorteilen

  • jemanden, etwas besser behandeln als andere, begünstigen, besserstellen, favorisieren, privilegieren, vorziehen
  • jemanden ausnutzen, ihm (finanziellen) Schaden zufügen, ausnutzen, schaden, übervorteilen
  • begünstigen, bevorzugen, (jemanden) vorziehen, favorisieren, besserstellen, besser behandeln

bevorteilen in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord bevorteilen vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord bevorteilen


De vervoeging van het werkwoord bevorteilen wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord bevorteilen is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (bevorteilt - bevorteilte - hat bevorteilt) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary bevorteilen en op bevorteilen in de Duden.

bevorteilen vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich bevorteil(e)bevorteiltebevorteilebevorteilte-
du bevorteilstbevorteiltestbevorteilestbevorteiltestbevorteil(e)
er bevorteiltbevorteiltebevorteilebevorteilte-
wir bevorteilenbevorteiltenbevorteilenbevorteiltenbevorteilen
ihr bevorteiltbevorteiltetbevorteiletbevorteiltetbevorteilt
sie bevorteilenbevorteiltenbevorteilenbevorteiltenbevorteilen

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich bevorteil(e), du bevorteilst, er bevorteilt, wir bevorteilen, ihr bevorteilt, sie bevorteilen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich bevorteilte, du bevorteiltest, er bevorteilte, wir bevorteilten, ihr bevorteiltet, sie bevorteilten
  • Perfectum: ich habe bevorteilt, du hast bevorteilt, er hat bevorteilt, wir haben bevorteilt, ihr habt bevorteilt, sie haben bevorteilt
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte bevorteilt, du hattest bevorteilt, er hatte bevorteilt, wir hatten bevorteilt, ihr hattet bevorteilt, sie hatten bevorteilt
  • Toekomende tijd I: ich werde bevorteilen, du wirst bevorteilen, er wird bevorteilen, wir werden bevorteilen, ihr werdet bevorteilen, sie werden bevorteilen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde bevorteilt haben, du wirst bevorteilt haben, er wird bevorteilt haben, wir werden bevorteilt haben, ihr werdet bevorteilt haben, sie werden bevorteilt haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich bevorteile, du bevorteilest, er bevorteile, wir bevorteilen, ihr bevorteilet, sie bevorteilen
  • Onvoltooid verleden tijd: ich bevorteilte, du bevorteiltest, er bevorteilte, wir bevorteilten, ihr bevorteiltet, sie bevorteilten
  • Perfectum: ich habe bevorteilt, du habest bevorteilt, er habe bevorteilt, wir haben bevorteilt, ihr habet bevorteilt, sie haben bevorteilt
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte bevorteilt, du hättest bevorteilt, er hätte bevorteilt, wir hätten bevorteilt, ihr hättet bevorteilt, sie hätten bevorteilt
  • Toekomende tijd I: ich werde bevorteilen, du werdest bevorteilen, er werde bevorteilen, wir werden bevorteilen, ihr werdet bevorteilen, sie werden bevorteilen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde bevorteilt haben, du werdest bevorteilt haben, er werde bevorteilt haben, wir werden bevorteilt haben, ihr werdet bevorteilt haben, sie werden bevorteilt haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde bevorteilen, du würdest bevorteilen, er würde bevorteilen, wir würden bevorteilen, ihr würdet bevorteilen, sie würden bevorteilen
  • Voltooid verleden tijd: ich würde bevorteilt haben, du würdest bevorteilt haben, er würde bevorteilt haben, wir würden bevorteilt haben, ihr würdet bevorteilt haben, sie würden bevorteilt haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: bevorteil(e) (du), bevorteilen wir, bevorteilt (ihr), bevorteilen Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: bevorteilen, zu bevorteilen
  • Infinitief II: bevorteilt haben, bevorteilt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: bevorteilend
  • Participle II: bevorteilt

Opmerkingen



Inloggen

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 605348

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 751427, 751427

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: bevorteilen