Vervoeging van het Duitse werkwoord bereiten (regelm)

De vervoeging van het werkwoord bereiten (klaar maken, veroorzaken) is regelmatig. De basisvormen zijn bereitet, bereitete en hat bereitet. Daarnaast is er ook de onregelmatige vervoeging. Het hulpwerkwoord van bereiten is "haben". Het voorvoegsel be- van bereiten is onscheidbaar. De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Hoofdzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord bereiten beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor bereiten. Je kunt niet alleen bereiten vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau A1. Opmerkingen

regelmatig
bereiten
onregelmatig
bereiten
Video 

A1 · regelmatig · haben · onlosmakelijk

bereiten

bereitet · bereitete · hat bereitet

 toevoeging van -e 

Engels prepare, cause, afford to, bestow, get something ready, prepare (for), ready oneself (for), ready oneself for

/bəˈʁaɪ̯tən/ · /bəˈʁaɪ̯tət/ · /bəˈʁaɪ̯tətə/ · /bəˈʁaɪ̯tət/

etwas zur späteren Verwendung anrichten, herrichten; jemandem eine bestimmte Gefühlsregung zuteilwerden lassen; anrichten, mit sich bringen, vorbereiten, herrichten

(sich+A, dat., acc., zu+D)

» Das Abendessen ist bereitet . Engels The dinner is prepared.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van bereiten (regelm)

Tegenwoordige tijd

ich bereit(e)⁵
du bereitest
er bereitet
wir bereiten
ihr bereitet
sie bereiten

Onvoltooid verleden tijd

ich bereitete
du bereitetest
er bereitete
wir bereiteten
ihr bereitetet
sie bereiteten

Imperatief

-
bereit(e)⁵ (du)
-
bereiten wir
bereitet (ihr)
bereiten Sie

Konjunktief I

ich bereite
du bereitest
er bereite
wir bereiten
ihr bereitet
sie bereiten

Konjunktief II

ich bereitete
du bereitetest
er bereitete
wir bereiteten
ihr bereitetet
sie bereiteten

Infinitief

bereiten
zu bereiten

Deelwoord

bereitend
bereitet

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord bereiten (regelm) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

ich bereit(e)⁵
du bereitest
er bereitet
wir bereiten
ihr bereitet
sie bereiten

Onvoltooid verleden tijd

ich bereitete
du bereitetest
er bereitete
wir bereiteten
ihr bereitetet
sie bereiteten

Perfectum

ich habe bereitet
du hast bereitet
er hat bereitet
wir haben bereitet
ihr habt bereitet
sie haben bereitet

Volt. verl. tijd

ich hatte bereitet
du hattest bereitet
er hatte bereitet
wir hatten bereitet
ihr hattet bereitet
sie hatten bereitet

Toekomende tijd I

ich werde bereiten
du wirst bereiten
er wird bereiten
wir werden bereiten
ihr werdet bereiten
sie werden bereiten

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

ich werde bereitet haben
du wirst bereitet haben
er wird bereitet haben
wir werden bereitet haben
ihr werdet bereitet haben
sie werden bereitet haben

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


  • Seine Arbeit bereitete ihm Langeweile. 
  • Den dritten Schlag bereitete Freud unserem Selbstverständnis. 
  • Sie fühlte den Schmerz, den ihr die Beleidigung bereitete . 

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord bereiten (regelm) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

ich bereite
du bereitest
er bereite
wir bereiten
ihr bereitet
sie bereiten

Konjunktief II

ich bereitete
du bereitetest
er bereitete
wir bereiteten
ihr bereitetet
sie bereiteten

Voltooid Konj.

ich habe bereitet
du habest bereitet
er habe bereitet
wir haben bereitet
ihr habet bereitet
sie haben bereitet

Konj. volt. verl. t.

ich hätte bereitet
du hättest bereitet
er hätte bereitet
wir hätten bereitet
ihr hättet bereitet
sie hätten bereitet

Toekomende aanvoegende wijs I

ich werde bereiten
du werdest bereiten
er werde bereiten
wir werden bereiten
ihr werdet bereiten
sie werden bereiten

Toek. volt. aanw.

ich werde bereitet haben
du werdest bereitet haben
er werde bereitet haben
wir werden bereitet haben
ihr werdet bereitet haben
sie werden bereitet haben

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

ich würde bereiten
du würdest bereiten
er würde bereiten
wir würden bereiten
ihr würdet bereiten
sie würden bereiten

Verleden cond.

ich würde bereitet haben
du würdest bereitet haben
er würde bereitet haben
wir würden bereitet haben
ihr würdet bereitet haben
sie würden bereitet haben

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord bereiten (regelm)


Tegenwoordige tijd

bereit(e)⁵ (du)
bereiten wir
bereitet (ihr)
bereiten Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor bereiten (regelm)


Infinitief I


bereiten
zu bereiten

Infinitief II


bereitet haben
bereitet zu haben

Tegenwoordig deelwoord


bereitend

Participle II


bereitet

  • Das Abendessen ist bereitet . 
  • Ich habe ihm viele Probleme bereitet . 
  • Tom hat mir eine Menge Ärger bereitet . 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor bereiten (regelm)


  • Das Abendessen ist bereitet . 
    Engels The dinner is prepared.
  • Seine Arbeit bereitete ihm Langeweile. 
    Engels He was bored with his job.
  • Ich habe ihm viele Probleme bereitet . 
    Engels I caused him a lot of trouble.
  • Tom hat mir eine Menge Ärger bereitet . 
    Engels Tom has caused me a lot of trouble.
  • Der Motor hat uns noch keine Probleme bereitet . 
    Engels The engine has not caused us any problems yet.
  • Mein ehemaliger Professor hat mir den Weg bereitet . 
    Engels My former professor paved the way for me.
  • Den dritten Schlag bereitete Freud unserem Selbstverständnis. 
    Engels The third blow prepared Freud our self-understanding.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse bereiten (regelm)


Duits bereiten (regelm)
Engels prepare, cause, afford to, bestow, get something ready, prepare (for), ready oneself (for), ready oneself for
Russisch готовить, приготовить, приготовлять, доставлять, вызывать, передавать, подготавливать, подготовить
Spaans preparar, infligir, causar, crear, dar, deparar, dispensar, disponer
Frans préparer, arranger, causer, donner, faire, procurer, réserver, réserver à
Turks hazırlamak, duygu vermek, düzenlemek, sebep olmak, yol açmak
Portugees preparar, arranjar, causar a, proporcionar
Italiaans preparare, approntare, causare, creare, disporre, procurare, provocare, suscitare
Roemeens aranja, pregati, pregăti, provoca, stârni
Hongaars előkészít, rendelkezésre állít, érzelmet kelt
Pools przygotować, przyrządzać, aranżować, przygotowywać, przyrządzić, sprawiać, sprawić
Grieks ετοιμάζω, προετοιμάζω
Nederlands klaar maken, veroorzaken, veroorzaken van gevoelens, voorbereiden
Tsjechisch připravit, přichystat, zařídit
Zweeds bereda, anrätta, förbereda, göra iordning
Deens forberede, anrette, give
Japans 与える, 感じさせる, 整える, 準備する
Catalaans preparar, disposar, provocar
Fins valmistaa, herättää, järjestää
Noors forberede, gi, tilberede
Baskisch antolatu, preparatu, prestatu, sentimenduak ematea, sortarazi
Servisch pripremiti, izazvati, urediti
Macedonisch подготвува, приготвува
Sloveens pripraviti, urediti, vzbuditi čustvo
Slowaaks pripraviť, usporiadať, vyvolať
Bosnisch pripremiti, urediti, uzrokovati
Kroatisch pripremiti, urediti, uzrokovati
Oekraïens готувати, викликати, приготувати, підготувати
Bulgaars възбуждам, подготвям, предизвиквам, приготвям
Wit-Russisch выклікаць, зрабіць, падрыхтаваць
Indonesisch menakutkan, menyenangkan, menyiapkan
Vietnamees chuẩn bị, làm cho sợ, làm hài lòng
Oezbeeks qo'rqitmoq, tayyorlab qo'yish, xursand qilmoq
Hindi खुश करना, डर देना, तैयार रखना
Chinees 使高兴, 准备, 让人害怕
Thais ทำให้กลัว, ทำให้ยินดี, เตรียม
Koreaans 공포를 일으키다, 기쁘게 하다, 미리 준비하다
Azerbeidzjaans hazırlamaq, qorxutmaq, xoş etmək
Georgisch მახარება, მომზადება
Bengaals খুশি করা, প্রস্তুত রাখা, ভয় দেখানো
Albanees frikë ngacmoj, kënaq, përgatit
Marathi आनंद देणे, तयार ठेवणे, भीती निर्माण करणे
Nepalees खुशी दिने, डर लगाउने, तयार गर्नु
Telugu తయారుచేయడం, భయపెట్టడం, సంతోషం ఇవ్వడం
Lets baidīt, pagatavot, priecināt
Tamil தயாரிக்க, மகிழ்ச்சி தரும்
Ests hirmu tekitama, meeldivaks tegema, valmistama
Armeens ուրախացնել, պատրաստել, վախեցնել
Koerdisch hazir kirin, xweş kirin
Hebreeuwsלהכין، לארגן، לגרום לרגש
Arabischإعداد، تحضير، سبب
Perzischآماده کردن، تدارک دیدن، تهیه کردن، مهیا کردن، تمام کردن، حاضر کردن
Urduاحساس دینا، تیار کرنا، سجاوٹ کرنا، محسوس کرانا

bereiten (regelm) in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van bereiten (regelm)

  • etwas zur späteren Verwendung anrichten, herrichten, anrichten, mit sich bringen, vorbereiten, herrichten, initiieren
  • jemandem eine bestimmte Gefühlsregung zuteilwerden lassen
  • eine Strecke auf dem Pferd sitzend zurücklegen, um etwas zu besichtigen oder zu kontrollieren, abreiten, durchreiten, entlangreiten, vorbeireiten, zu Pferde erkunden
  • ein Pferd zureiten, zureiten, abrichten, dressieren, trainieren, zureiten

bereiten (regelm) in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor bereiten (regelm)


  • jemand/etwas bereitet sich zu etwas

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord bereiten vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord bereiten (regelm)


De vervoeging van het werkwoord bereiten wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord bereiten is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (bereitet - bereitete - hat bereitet) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary bereiten en op bereiten in de Duden.

bereiten vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich bereit(e)bereitetebereitebereitete-
du bereitestbereitetestbereitestbereitetestbereit(e)
er bereitetbereitetebereitebereitete-
wir bereitenbereitetenbereitenbereitetenbereiten
ihr bereitetbereitetetbereitetbereitetetbereitet
sie bereitenbereitetenbereitenbereitetenbereiten

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich bereit(e), du bereitest, er bereitet, wir bereiten, ihr bereitet, sie bereiten
  • Onvoltooid verleden tijd: ich bereitete, du bereitetest, er bereitete, wir bereiteten, ihr bereitetet, sie bereiteten
  • Perfectum: ich habe bereitet, du hast bereitet, er hat bereitet, wir haben bereitet, ihr habt bereitet, sie haben bereitet
  • Voltooid verleden tijd: ich hatte bereitet, du hattest bereitet, er hatte bereitet, wir hatten bereitet, ihr hattet bereitet, sie hatten bereitet
  • Toekomende tijd I: ich werde bereiten, du wirst bereiten, er wird bereiten, wir werden bereiten, ihr werdet bereiten, sie werden bereiten
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde bereitet haben, du wirst bereitet haben, er wird bereitet haben, wir werden bereitet haben, ihr werdet bereitet haben, sie werden bereitet haben

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ich bereite, du bereitest, er bereite, wir bereiten, ihr bereitet, sie bereiten
  • Onvoltooid verleden tijd: ich bereitete, du bereitetest, er bereitete, wir bereiteten, ihr bereitetet, sie bereiteten
  • Perfectum: ich habe bereitet, du habest bereitet, er habe bereitet, wir haben bereitet, ihr habet bereitet, sie haben bereitet
  • Voltooid verleden tijd: ich hätte bereitet, du hättest bereitet, er hätte bereitet, wir hätten bereitet, ihr hättet bereitet, sie hätten bereitet
  • Toekomende tijd I: ich werde bereiten, du werdest bereiten, er werde bereiten, wir werden bereiten, ihr werdet bereiten, sie werden bereiten
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ich werde bereitet haben, du werdest bereitet haben, er werde bereitet haben, wir werden bereitet haben, ihr werdet bereitet haben, sie werden bereitet haben

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ich würde bereiten, du würdest bereiten, er würde bereiten, wir würden bereiten, ihr würdet bereiten, sie würden bereiten
  • Voltooid verleden tijd: ich würde bereitet haben, du würdest bereitet haben, er würde bereitet haben, wir würden bereitet haben, ihr würdet bereitet haben, sie würden bereitet haben

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: bereit(e) (du), bereiten wir, bereitet (ihr), bereiten Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: bereiten, zu bereiten
  • Infinitief II: bereitet haben, bereitet zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: bereitend
  • Participle II: bereitet

Opmerkingen



Inloggen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 85867, 85867, 85867, 85867

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: bereiten

* De zinnen uit Wiktionary (de.wiktionary.org) zijn vrij beschikbaar onder de licentie CC BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.de). Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via de volgende links: 189700, 85867

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 1340845, 9044653, 446155, 4655331, 4018935, 4807705