Vervoeging van het Duitse werkwoord rasseln (hat) ⟨Bijzin⟩

De vervoeging van het werkwoord rasseln (rammelen, kletteren) is regelmatig. De basisvormen zijn ... rasselt, ... rasselte en ... gerasselt hat. Het hulpwerkwoord van rasseln is "haben". Er zijn echter ook tijden met het hulpwerkwoord "sein". De verbuiging vindt plaats in het Actief en wordt gebruikt als Bijzin. Voor een beter begrip zijn talloze voorbeelden van het werkwoord rasseln beschikbaar. Voor oefenen en consolidatie zijn er ook gratis werkbladen voor rasseln. Je kunt niet alleen rasseln vervoegen, maar ook alle Duitse werkwoorden. Het werkwoord behoort tot de woordenschat van het Zertifikat Deutsch of niveau C2. Opmerkingen

haben
rasseln
sein
rasseln

C2 · regelmatig · haben

rasseln

... rasselt · ... rasselte · ... gerasselt hat

 Geen informele e-wegval mogelijk 

Engels clatter, rattle, clash, jangle

/ˈʁasl̩n/ · /ˈʁasəlt/ · /ˈʁasəltə/ · /ɡəˈʁasəlt/

ein Geräusch von aneinanderschlagenden Teilen (aus Metall) von sich geben; Teile (aus Metall) mehrfach aneinanderschlagen, sodass sie tönen; ächzen, klappern, klirren, knarren

(mit+D)

» Ich habe mit den Schlüsseln gerasselt . Engels I rattled the keys.

De eenvoudig vervoegde werkwoordsvormen in de tegenwoordige, verleden, gebiedende en aanvoegende wijs van rasseln (hat)

Tegenwoordige tijd

... ich rass(e)l(e)⁵
... du rasselst
... er rasselt
... wir rasseln
... ihr rasselt
... sie rasseln

Onvoltooid verleden tijd

... ich rasselte
... du rasseltest
... er rasselte
... wir rasselten
... ihr rasseltet
... sie rasselten

Imperatief

-
rass(e)l(e)⁵ (du)
-
rasseln wir
rasselt (ihr)
rasseln Sie

Konjunktief I

... ich rass(e)le
... du rasselst
... er rass(e)le
... wir rasseln
... ihr rasselt
... sie rasseln

Konjunktief II

... ich rasselte
... du rasseltest
... er rasselte
... wir rasselten
... ihr rasseltet
... sie rasselten

Infinitief

rasseln
zu rasseln

Deelwoord

rasselnd
gerasselt

⁵ Alleen in informeel taalgebruik


indicatief

Het werkwoord rasseln (hat) vervoegd in de aantonende wijs Actief in de tijden tegenwoordige, verleden en toekomende tijd


Tegenwoordige tijd

... ich rass(e)l(e)⁵
... du rasselst
... er rasselt
... wir rasseln
... ihr rasselt
... sie rasseln

Onvoltooid verleden tijd

... ich rasselte
... du rasseltest
... er rasselte
... wir rasselten
... ihr rasseltet
... sie rasselten

Perfectum

... ich gerasselt habe
... du gerasselt hast
... er gerasselt hat
... wir gerasselt haben
... ihr gerasselt habt
... sie gerasselt haben

Volt. verl. tijd

... ich gerasselt hatte
... du gerasselt hattest
... er gerasselt hatte
... wir gerasselt hatten
... ihr gerasselt hattet
... sie gerasselt hatten

Toekomende tijd I

... ich rasseln werde
... du rasseln wirst
... er rasseln wird
... wir rasseln werden
... ihr rasseln werdet
... sie rasseln werden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd

... ich gerasselt haben werde
... du gerasselt haben wirst
... er gerasselt haben wird
... wir gerasselt haben werden
... ihr gerasselt haben werdet
... sie gerasselt haben werden

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Conjunctief

De vervoeging van het werkwoord rasseln (hat) in de conjunctief I en II en in de tijden tegenwoordige tijd, verleden tijd, perfectum, plusquamperfectum en toekomende tijd.


Konjunktief I

... ich rass(e)le
... du rasselst
... er rass(e)le
... wir rasseln
... ihr rasselt
... sie rasseln

Konjunktief II

... ich rasselte
... du rasseltest
... er rasselte
... wir rasselten
... ihr rasseltet
... sie rasselten

Voltooid Konj.

... ich gerasselt habe
... du gerasselt habest
... er gerasselt habe
... wir gerasselt haben
... ihr gerasselt habet
... sie gerasselt haben

Konj. volt. verl. t.

... ich gerasselt hätte
... du gerasselt hättest
... er gerasselt hätte
... wir gerasselt hätten
... ihr gerasselt hättet
... sie gerasselt hätten

Toekomende aanvoegende wijs I

... ich rasseln werde
... du rasseln werdest
... er rasseln werde
... wir rasseln werden
... ihr rasseln werdet
... sie rasseln werden

Toek. volt. aanw.

... ich gerasselt haben werde
... du gerasselt haben werdest
... er gerasselt haben werde
... wir gerasselt haben werden
... ihr gerasselt haben werdet
... sie gerasselt haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde)

Vervangende vormen van de Konjunktiv II worden vervoegd met "würde" als persoonsvorm.


Conjunctief II

... ich rasseln würde
... du rasseln würdest
... er rasseln würde
... wir rasseln würden
... ihr rasseln würdet
... sie rasseln würden

Verleden cond.

... ich gerasselt haben würde
... du gerasselt haben würdest
... er gerasselt haben würde
... wir gerasselt haben würden
... ihr gerasselt haben würdet
... sie gerasselt haben würden

Imperatief

De vervoegingsvormen in de gebiedende wijs Actief tegenwoordige tijd voor het werkwoord rasseln (hat)


Tegenwoordige tijd

rass(e)l(e)⁵ (du)
rasseln wir
rasselt (ihr)
rasseln Sie

⁵ Alleen in informeel taalgebruik

Infinitief/Deelwoord

De infinitieve vormen deelwoord en infinitief (met 'zu') in Actief voor rasseln (hat)


Infinitief I


rasseln
zu rasseln

Infinitief II


gerasselt haben
gerasselt zu haben

Tegenwoordig deelwoord


rasselnd

Participle II


gerasselt

  • Ich habe mit den Schlüsseln gerasselt . 

Voorbeelden

Voorbeeldzinnen voor rasseln (hat)


  • Ich habe mit den Schlüsseln gerasselt . 
    Engels I rattled the keys.

Voorbeelden 

Vertalingen

Vertalingen van het Duitse rasseln (hat)


Duits rasseln (hat)
Engels clatter, rattle, clash, jangle
Russisch греметь, звенеть, звонить, громыхать, громыхнуть, двигаться с грохотом, двинуться с грохотом, лязгать
Spaans chocar, retumbar, sonar, tintinear
Frans cliqueter, râler, résonner, tinter
Turks tınlamak, çınlamak
Portugees tilintar, fazer som retumbante, ranger, ressoar
Italiaans rasselare, rattle, scuotere, sferragliare, suonare
Roemeens bătut, ciocănit, zdrăngăit
Hongaars zörgés, csengés, csörgés
Pools dzwonić, brzęczeć, chrzęścić, pobrzękiwać, szczękać, terkotać, zachrzęścić, zadzwonić
Grieks θόρυβος, κουδουνίζω, κουδούνισμα, χτυπώ
Nederlands rammelen, kletteren, tikken
Tsjechisch cinkat, zvonit
Zweeds klirra, rassla, skramla
Deens klirre, rasle
Japans カラカラ音を立てる, ガラガラする, 叩く, 鳴る
Catalaans xocar, fer sonar, fer soroll
Fins kalista, kilistä, kolista
Noors klirre, rasle
Baskisch tintinnabular, tresna, txirristu
Servisch дрндати, звецкати, чегртати, zveckati, zveket, zveketati, zvuk
Macedonisch дрнда, звецка, чегрта, звонат, звонење, чукот
Sloveens zvenenje, zveneti
Slowaaks cinkanie, zvonenie
Bosnisch zveckati, zvoniti, zvuk, zvuk metalnih dijelova
Kroatisch zveckati, zvuk, zvuk metala
Oekraïens греміти, дзвеніти, дзвін
Bulgaars дребезг
Wit-Russisch грымот, дзікаць
Indonesisch berbunyi gemerincing, berdenting, bergemerincing, berkelontang
Vietnamees kêu leng keng, leng keng, loảng xoảng, lách cách
Oezbeeks shildiramoq, jaranglamoq, shaqillamoq
Hindi खनखनाना, खड़खड़ाना, झनझनाना
Chinees 叮当作响, 叮铃作响, 哐啷作响
Thais กรุ๋งกริ๋ง, ก๊องแก๊ง, ดังกรุ๋งกริ๋ง
Koreaans 달그락거리다, 짤랑거리다
Azerbeidzjaans cingildəmək, cınqıldamaq, taqqıldamaq, şaqıldamaq
Georgisch ჟღრიალება, ჟღარუნობა
Bengaals ঝনঝন করা, খটখট করা, ঝংকার করা
Albanees tingëlloj, trokëllij
Marathi खडखडणे, खणखणणे, खनखनणे
Nepalees खडखडिनु, खनखन गर्नु, खनखनाउनु, झनझन गर्नु
Telugu ఝంకారించు, కటకటలాడు
Lets grabēt, šķindēt
Tamil கடகடக்க, கடகடத்தல், கணகணத்தல், கிண்கிணிக்க
Ests kolisema, kõlisema
Armeens զնգալ, զրնգալ
Koerdisch cincilîn, şaqilîn, şeqildan, şikilîn
Hebreeuwsרעש، רעש מתכת
Arabischرنين، صوت رنين
Perzischزنگ زدن، صدا کردن، صدای زنگ
Urduجھنجھنا، جھنجھناہٹ، کھنکنا

rasseln (hat) in dict.cc


Vertalingen 

Doe mee


Help ons en word een held door nieuwe inzendingen toe te voegen en bestaande te beoordelen. Als dank kun je deze website zonder advertenties gebruiken zodra je een bepaald aantal punten hebt behaald.



Inloggen

Alle helden 

Definities

Betekenissen en synoniemen van rasseln (hat)

  • ein Geräusch von aneinanderschlagenden Teilen (aus Metall) von sich geben, ächzen, klappern, klirren, knarren, knarzen
  • Teile (aus Metall) mehrfach aneinanderschlagen, sodass sie tönen
  • sich unter rasselnden Geräuschen fortbewegen, holpern, ruckeln
  • fallen, z. B. durch die Prüfung, aber auch von einem Baum, durchfallen, runterfallen
  • scheppern, rappeln, schmettern, klappern, klirren, rattern

rasseln (hat) in openthesaurus.de

Betekenissen  Synoniemen 

Voorzetsels

Voorzetsels voor rasseln (hat)


  • jemand/etwas rasselt mit etwas

Toepassingen  Voorzetsels 

Verbuigingsregels

Gedetailleerde regels voor vervoeging

Woordenboeken

Alle vertaalwoordenboeken

Duitse werkwoord rasseln vervoegen

Overzicht van alle tijden van het werkwoord rasseln (hat)


De vervoeging van het werkwoord rasseln wordt online overzichtelijk weergegeven in een werkwoordschema met alle vormen in enkelvoud en meervoud, en in alle personen (1e, 2e, 3e persoon). De verbuiging van het werkwoord rasseln is dus een hulpmiddel voor huiswerk, toetsen, examens, Duitse les op school, Duits leren, studie en volwasseneneducatie. Vooral voor mensen die Duits leren is het belangrijk om de juiste vervoeging en de correcte vormen (... rasselt - ... rasselte - ... gerasselt hat) te kennen. Meer informatie vind je op Wiktionary rasseln en op rasseln in de Duden.

rasseln vervoeging

Tegenwoordige tijd Onvoltooid verleden tijd Conjunctief I Conjunctief II Imperatief
ich ... rass(e)l(e)... rasselte... rass(e)le... rasselte-
du ... rasselst... rasseltest... rasselst... rasseltestrass(e)l(e)
er ... rasselt... rasselte... rass(e)le... rasselte-
wir ... rasseln... rasselten... rasseln... rasseltenrasseln
ihr ... rasselt... rasseltet... rasselt... rasseltetrasselt
sie ... rasseln... rasselten... rasseln... rasseltenrasseln

indicatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich rass(e)l(e), ... du rasselst, ... er rasselt, ... wir rasseln, ... ihr rasselt, ... sie rasseln
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich rasselte, ... du rasseltest, ... er rasselte, ... wir rasselten, ... ihr rasseltet, ... sie rasselten
  • Perfectum: ... ich gerasselt habe, ... du gerasselt hast, ... er gerasselt hat, ... wir gerasselt haben, ... ihr gerasselt habt, ... sie gerasselt haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich gerasselt hatte, ... du gerasselt hattest, ... er gerasselt hatte, ... wir gerasselt hatten, ... ihr gerasselt hattet, ... sie gerasselt hatten
  • Toekomende tijd I: ... ich rasseln werde, ... du rasseln wirst, ... er rasseln wird, ... wir rasseln werden, ... ihr rasseln werdet, ... sie rasseln werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich gerasselt haben werde, ... du gerasselt haben wirst, ... er gerasselt haben wird, ... wir gerasselt haben werden, ... ihr gerasselt haben werdet, ... sie gerasselt haben werden

Conjunctief Actief

  • Tegenwoordige tijd: ... ich rass(e)le, ... du rasselst, ... er rass(e)le, ... wir rasseln, ... ihr rasselt, ... sie rasseln
  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich rasselte, ... du rasseltest, ... er rasselte, ... wir rasselten, ... ihr rasseltet, ... sie rasselten
  • Perfectum: ... ich gerasselt habe, ... du gerasselt habest, ... er gerasselt habe, ... wir gerasselt haben, ... ihr gerasselt habet, ... sie gerasselt haben
  • Voltooid verleden tijd: ... ich gerasselt hätte, ... du gerasselt hättest, ... er gerasselt hätte, ... wir gerasselt hätten, ... ihr gerasselt hättet, ... sie gerasselt hätten
  • Toekomende tijd I: ... ich rasseln werde, ... du rasseln werdest, ... er rasseln werde, ... wir rasseln werden, ... ihr rasseln werdet, ... sie rasseln werden
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: ... ich gerasselt haben werde, ... du gerasselt haben werdest, ... er gerasselt haben werde, ... wir gerasselt haben werden, ... ihr gerasselt haben werdet, ... sie gerasselt haben werden

Voorwaardelijke wijs II (würde) Actief

  • Onvoltooid verleden tijd: ... ich rasseln würde, ... du rasseln würdest, ... er rasseln würde, ... wir rasseln würden, ... ihr rasseln würdet, ... sie rasseln würden
  • Voltooid verleden tijd: ... ich gerasselt haben würde, ... du gerasselt haben würdest, ... er gerasselt haben würde, ... wir gerasselt haben würden, ... ihr gerasselt haben würdet, ... sie gerasselt haben würden

Imperatief Actief

  • Tegenwoordige tijd: rass(e)l(e) (du), rasseln wir, rasselt (ihr), rasseln Sie

Infinitief/Deelwoord Actief

  • Infinitief I: rasseln, zu rasseln
  • Infinitief II: gerasselt haben, gerasselt zu haben
  • Tegenwoordig deelwoord: rasselnd
  • Participle II: gerasselt

Opmerkingen



Inloggen

* De definities zijn deels afkomstig van Wiktionary (de.wiktionary.org) en kunnen achteraf zijn gewijzigd. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 3.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) licentie: 722275, 722275, 722275, 722275

* De synoniemen zijn deels afkomstig van OpenThesaurus (openthesaurus.de) en kunnen achteraf zijn aangepast. Ze zijn vrij beschikbaar onder de CC-BY-SA 4.0 (creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0) licentie: rasseln

* De zinnen van Tatoeba (tatoeba.org) zijn gratis beschikbaar onder de CC BY 2.0 FR (creativecommons.org/licenses/by/2.0/fr/) licentie. Sommige zijn aangepast. De auteurs van de zinnen zijn te vinden via: 8362021